Hedonisme in subtopia

De basis voor de Britse conservatieve revolutie in de jaren tachtig werd al in de jaren zeventig gelegd, zo blijkt uit twee Zeitgeist-boeken over naoorlogs Groot-Brittannië die Engeland-kenner Patrick van IJzendoorn las.

Dominic Sandbrook en Allen Lane: State of Emergency. The Way We Were: Britain 1970-1974. Penguin Books, 756 blz. € 40,-

Andy McSmith: No Such Thing as Society: A History of Britain in the 1980s. Constable, 342 blz. €21,-

De Britse ‘eighties’ begonnen in een golfhotel. Een kleine tien jaar voordat Margaret Thatcher op de vuilnisbergen van de jaren zeventig de macht greep, kwamen enkele proto-thatcherianen bijeen in het Selsdon Park Hotel & Golf Club. Onder laaghangende sigarenrook schreven ze een neoliberaal verkiezingsmanifest waarmee een einde moest worden gemaakt aan de naoorlogse consensus van socialisten en pragmatische conservatieven. Enkele maanden later won de conservatief Ted Heath verrassend de verkiezingen, maar al gauw moest hij de Selsdon-idealen opgeven. Pas onder zijn leerlinge en opvolgster Thatcher kreeg de vrijgevochten Selsdon Man ruim baan.

Twee onlangs verschenen Zeitgeist-boeken tonen nu echter aan dat belangrijke verschijnselen uit de wilde jaren tachtig al in de eerste helft van de jaren zeventig hun opwachting maakten. Wie na het lezen van State of Emergency van Dominic Sandbrook en Allen Lane meteen doorgaat met Andy McSmiths No Such Thing as Society beleeft vele déja vu’s. Natuurlijk, de Rubik Cube, de filofax en leggings moesten nog worden uitgevonden, maar hedonisme, hebberigheid en hooliganisme waren al volop daar.

De ware breuk in de naoorlogse Britse geschiedenis ligt dan ook in 1970. Het feestgedruis van de jaren zestig was uitgelopen op een kater. Feministen waren teleurgesteld in de zegeningen van de seksuele revolutie, voetbalminnend Engeland besefte dat het winnen van de wereldbeker in 1966 een incident was, de Corbusiaanse hemelbestormers zagen hun glas-in-betonblokken veranderen in grafzerken, het wereldrijk was definitief verloren en het industriële tijdperk nagenoeg voorbij. De toekomst was aan de behoudende en zwijgende middenklasse in de tuinwijken, vooral in het zuiden van het land. Dat de zeilkampioen Heath, de sombere zoon van een zakenman en afgevaardigde voor de Londense buitenwijk Bexley, het premierschap overnam van de pijprokende, uit Yorkshire afkomstige intellectueel Harold Wilson was symbolisch.

In subtopia was het leven pretentieloos. Aan de muren van de centraal verwarmde woonkamers hingen Hollandse landschappen, op zondagochtend kreeg de auto een beurt en de avonden gingen verloren aan televisiekijken, mits er stroom was. De vakantie ging niet langer naar Margate, maar naar Mallorca. Als geen andere krant wist The Sun het ondeugende populisme van de bijgeschoolde arbeider te verbeelden. De geestelijke moeder van het avondeten was Delia Smith, die schaamteloos gebruikmaakte van bliktomaten en diepvrieserwten. Op het nachtkastje lag de gids van de National Trust, het Britse equivalent van Monumentenzorg dat de rol van de Kerk aan het overnemen was.

De toegenomen welvaart had enkele ongewenste bijeffecten. Voetbalwedstrijden speelden zich steeds vaker af tegen de achtergrond van supportersrellen. De historicus Sandbrook toont overtuigend aan dat dit niets te maken heeft met de armoede die sociologen als oorzaak van het hooliganisme aanwezen. Integendeel, voetbalsupporters hadden zo veel geld dat ze hun club achterna konden reizen. Ook nam de corruptie toe, tot op regeringsniveau, zoals Sandbrook vertelt in het hoofdstuk ‘The Unacceptable Face of Capitalism’. Zo had minister van Binnenlandse Zaken Reginald Maudling – a man with a Rolls-Royce intellect who thought nothing of spending the morning tasting vintage port with his officials, and said that his favourite kind of whiskies were ‘large ones’ – steekpenningen aangenomen van een projectontwikkelaar om het danstheater van zijn eega te financieren.

Voor Heath was zijn aftreden een tragi-komisch intermezzo bij zijn onvermoeibare pogingen het land te moderniseren. Hij trachtte dit door vijanden te vriend te houden. Tot hen behoorden de regenteske Conservatieven van One Nation binnen zijn eigen partij, maar vooral ook de vakbondsleiders voor wie de premier tijdens een ‘jolly evening’ op Downing Street het strijdlied ‘The Red Flag’ op de vleugel ten gehore bracht. Pappen en nathouden konden niet voorkomen dat staken een nationaal gezelschapsspel werd, wat zou leiden tot een driedaagse werkweek, kamerdebatten bij kaarslicht en uiteenlopende vormen van saamhorigheid. Regelmatig eisten – en kregen – de bonden loonsverhogingen van 20 tot 25 procent. Een vakbondsleider zei niet te rusten voordat elke mijnwerker een Jaguar voor de deur had staan, en de mijnwerkersvrouw een Mini voor de boodschappen bij de nieuwe supermarkten. Sandbrook toont aan dat het land nog niet klaar was voor een economische herordening.

In dit derde deel van zijn trilogie over de jaren zestig en zeventig beschrijft Sandbrook gedetailleerd de impasse waarin het land was geraakt. De Britten wisten dat harde maatregelen nodig waren, maar wilden de pijn zo lang mogelijk uitstellen en vluchtten liever naar de bioscoop om de sekskomedie Confessions of a Window Cleaner te zien. Bij dit escapisme passen ook de verkiezingen van 1974 die Heath, na vijf keer de noodtoestand te hebben uitgeroepen, met de vraag ‘Who Governs Britain?’ vervroegd had uitgeschreven. De kiezer bleek geen idee te hebben en koos voor doormodderen, een Engelse traditie. Terwijl de Labour-regering leningen van het IMF moest aanvragen – eerder had Idi Amin noodsteun aangeboden – volgde Thatcher de gedesillusioneerde Heath op en na de ‘Winter van Onvrede’ in 1979 won zij de verkiezingen. Het Selsdon-manifest kreeg een herkansing. Waar dat toe leidde, vertelt de Independent-journalist McSmith in No Such Thing As Society.

Thatcher ging de strijd aan met de vakbonden, waarvan de bazen als limo-leninisten rondreden. Als minister van Onderwijs had ze uit eerste hand kunnen zien hoe zij de regering-Heath hadden vernederd. Dat zou haar niet overkomen. Alles moest anders, meende Thatcher, die in dat opzicht eerder een neoliberale trotskist dan een conservatief was. Met de door economen bekritiseerde begroting van 1981 maakte de economische politiek van Keynes plaats voor Friedmans monetarisme, waarbij werkloosheid een acceptabele prijs is voor meer welvaart. Bij het breken van de vakbondsmacht kreeg ze hulp van twee buitenlanders: de Australiër Murdoch maakte een einde aan de macht van de fanatieke drukkerijvakbonden en leidde en passant het vertrek van de pers uit Fleet Street in, The Sun voorop. Daarna speelde de Schots-Amerikaanse Ian MacGregor als voorzitter van het National Coal Board een hoofdrol bij de overwinning op de mijnwerkersbonden.

Een opmerkelijke paradox – onderbelicht door McSmith – is dat juist onder de patriot Thatcher de samenleving sterk veramerikaniseerde. Door de deregulering van de financiële markten in 1986, de Big Bang, verving een Amerikaanse zakencultuur het Old Boys’ Network in The City, de finest gentlemen’s club van Londen, aldus McSmith.Terwijl Heath de Europese cultuur vereerde, geloofde Thatcher in de Amerikaanse droom. Zij was de heldin van de middenstanders (zoals haar vader), de verzekeringsagenten in hun Ford Mondeo, de klusjesmannen in Essex, de cocaïnesnuivers op de beursvloer en de rebelse miljonairs, kortom van de Selsdon Mannen.

Onder Thatcher Unlimited verdween de politiek uit de Politiek. Deze belandde op straat, in demonstraties, in de tv-studio’s waar komedies bloeiden en op het concertpodium, waar een groep als UB40 – vernoemd naar een bijstandsformulier – het roken van cannabis muzikaal omlijstte. De jaren tachtig waren een tijd van sociaal activisme en de vorming van nieuwe gemeenschappen, van tweedegolffeministen en minderheden tot krakers en mijnwerkersvrouwen. Hun agenda werd geleid door gebeurtenissen. De seriemoorden van de Yorkshire Ripper hadden als positief gevolg dat ook rechters verkrachting voortaan beschouwden als een ernstig misdrijf. Een brand in Zuid-Londen waarbij dertien zwarte jongeren omkwamen zorgde indirect voor het verdwijnen van ‘No Dogs, No Irish, No Blacks’-bordjes. En popsterren als Freddie Mercury en Boy George droegen bij aan de emancipatie van homoseksuelen.

Het probleem van McSmiths thematisch opgezette boek is de titel (naar een bekende uitspraak van Thatcher in het tijdschrift Woman’s Own) en de bijbehorende veronderstelling dat Thatcher het bestaan van gemeenschapsleven miskende. Hoewel Thatcher soms een wereldvreemde indruk maakte – toen ze een liedje van The Jam hoorde over de onhebbelijkheden van ‘Margaret’ vroeg ze zich af wat de zanger toch tegen de zus van de koningin had – erkende ze wel degelijk de merites van een maatschappelijk middenveld. Sandbrook meldt dat er in het nieuwgebouwde Selsdon-walhalla Milton Keynes liefst 500 verenigingen bestaan en dat was in de jaren tachtig niet anders. In het gewraakte interview met Woman’s Own had Thatcher slechts haar ergernis uitgesproken over het feit dat mensen ‘de maatschappij’ zo snel de schuld gaven voor de eigen misère. In een poging om Thatcher voor haar politieke neefjes te verklaren, heeft David Cameron inmiddels opgemerkt dat er wel degelijk sprake is van ‘society’, maar dat deze niet samenvalt met de Staat. Zo is McSmiths geschiedschrijving polemischer dan Sandbrooks ironisch afstandelijke en valt de inhoud van beide boeken samen met de inhoud.