Fokkop, ik weet waar ik sta

Ronelda S. Kampfer: Nu de slapende honden. Uit het Afrikaans (Noudat slapende honde) Vert. door Alfred Schaffer. Podium, 86 blz. € 17,50

Mooi zijn de gedichten van de Zuid-Afrikaanse dichteres Ronelda Kampfer (1981) niet. En erg rijk aan beelden of poëtische middelen evenmin. Haar werk is er veel te direct voor. Desondanks, of misschien wel juist daardoor, werd ze in eigen land na de verschijning van haar debuutbundel Nou die slapende honden meteen omarmd door critici en collega-dichters. Zo schreef Antjie Krog over haar: ‘Een onmiskenbaar stemgeluid. Ronelda behoort tot de beste, meest prikkelende Zuid-Afrikaanse dichters van de laatste jaren’.

Dat prikkelende en onmiskenbare zit hem in zowel de onderwerpen als de taal, die een soort rauwheid delen zonder plat te worden. Verkrachters, misdaden, armoede, geweld en apartheidserfenis – dat alles komt aan de orde. Dat klinkt zwaar maar zo pakt het niet uit, omdat Kampfer met te veel ironie naar de wereld kijkt:

Als je aangerand,

verkracht, gekaapt, ontvoerd, gevangen bent

moet je zorgen

dat je bij een psychiater terechtkomt

het zijn allemaal zaken die een depressie veroorzaken

het zijn prima redenen voor een depressie

Zo begint ‘Kijk uit voor depressie’. Na deze regels volgt een waslijst van zaken die in haar wereld geen depressie veroorzaken (‘kloteouders’, ‘klotemensen’, ‘klotekleren’, ‘klotemuziek’, etc.) maar die gewoon bij het leven horen. Ook met een ex wordt op besliste toon afgerekend: ‘Eric die idioot / die dacht dat Shakes Spear een Zuid-Afrikaanse voetballer is’.

Niet alles is ironie. Kampfer vertelt over haar wereld, soms op een onschuldige toon, dan weer alsof ze een sprookje vertelt. Of er wordt een oma ten tonele gevoerd die over vroeger vertelt, en de vriendelijke baas Willem, die haar de beste tweedehandskleren bracht en uitlegde dat haar kinderen niet naar school hoefden omdat ze gewoon konden meehelpen op de boerderij. Cynische ‘melancholie’ wordt omgezet in wrangheid, want ‘Dr. Metzler’, een andere stem in het gedicht over oma, beweert dat het maar beter is dat haar kinderen dood geboren worden, omdat ze hem in de war brengen. ‘Hij zegt dat mijn oma blij mag zijn / dat het laatste doodgeboren werd // zijn naam / zou Judas zijn geweest’.

Ook het leven in het heden wordt direct benaderd. Zo direct dat je je soms bijna ongemakkelijk voelt – twee gedichten over een overdosis komen de buurt van therapie. En, nieuw Zuid-Afrika ten spijt, nooit is het onderwerp ‘ras’ ver weg. De angst voor de boeren, de mannen met lange grijze baarden die denken dat kaki bij alles (‘allus’) past – is verdwenen, want ze kan ze nu negeren. Maar in het erg geestige ‘blaas die trompette’ (vertaald als ‘zeg het voort’) blijkt dat de verschillen tussen de kleuren niet te negeren vallen: ‘pak het nieuwe bestek / maak het huis schoon’ en ‘koop echte Coca-Cola’ in plaats van een huismerk, want ‘er is echt een / blanke schoonzoon onderweg’.

Ras is onmiskenbaar ook een onderwerp van de straat, en die klinkt door in de taal: allus, Fokkop, DOA (Dead on Arrival), verkakte gedichten. Het is de taal die Kampfer ook kent dankzij Tupac Shakur, de Amerikaanse rapper met een bijna mythologische status die hij voor een deel te danken heeft aan zijn gewelddadige dood, maar ook aan het feit dat hij de dingen raak wist te verwoorden. ‘They say it’s the white man I should fear / but it’s my own kind doing all the killing here,’ plaatst Kampfer als motto boven een gedicht over een veelbelovend zwart kind dat door een verdwaalde kogel om het leven komt.

Er zullen niet veel dichtbundels zijn waarin én Tupac Shakur én Radiohead worden geciteerd, maar ook ‘Creep’ van de laatste is van toepassing: ‘I’m a creep, I’m a weirdo / What the hell am I doing here? I don’t belong here’ aldus het motto van een gedicht over een depressie. De persoonlijke depressie en die van de straat lopen door elkaar heen in Nu de slapende honden, en ze worden bijeengehouden door de uiterst veelzijdige taal. Dan weer hard, dan weer beeldend, dan weer persoonlijk, dan weer ontleend aan maatschappelijke kwesties. Of zoals De Zuid-Afrikaanse dichter Charl-Pierre schreef: ‘Nu de slapende honden is politieke realiteit beleefd in eigen taal’.

En dat is precies wat het is: de onderwerpen die Kampfer aansnijdt zijn weliswaar politiek en maatschappelijk, aards, werelds, maar steeds gefilterd door haar eigen taal en persoonlijkheid. Als ze, in het eerste gedicht, aan tafel zit ‘met de vijanden van mijn voorvaderen’ is ze beleefd, maar diep van binnen ‘weet ik waar ik sta’. Die zelfverzekerdheid straalt uit alle gedichten, zelfs die over depressies en stoornissen.