Euro wordt al jaren omlaag gepraat

De Britten hebben er altijd alles aan gedaan om een sterk Europa te verhinderen. Ook de euro werd als een bedreiging gezien. Maar als Europa meer politieke wil toont, zal blijken hoe sterk de euro is, stelt Mathieu Segers.

‘Het Verenigd Koninkrijk moet u vergelijken met de stadstaat Venetië’. Dat antwoordde Tommaso Padoa-Schioppa, een van de grondleggers van de euro, in de maanden voor zijn dood (18 december 2010), toen hij geconfronteerd werd met doemscenario’s voor de euro. Wat bedoelde Padoa-Schioppa met deze vergelijking?

Net zoals de machtige stadstaat Venetië er eeuwenlang alles aan gedaan heeft om de Italiaanse eenwording te verhinderen, heeft Groot-Brittannië zich eeuwenlang verzet tegen de eenwording van Europa die gezien werd als een bedreiging voor de Britse machtspositie.

Dat Britse verzet is anno 2011 nog niet gebroken. Europa is op de eerste plaats machtspolitiek, zeker voor de Britten. De dreiging die uitgaat van Europese eenheid is weliswaar niet meer zo groot als ten tijde van Napoleon, maar nog steeds zijn de Britten ervan overtuigd dat ook de jongste poging (via Europese integratie) uiteindelijk zal moeten falen, aldus Padoa-Schioppa. Bovendien: het succes van de naoorlogse integratie is een nationaal trauma, temeer omdat de late Britse bekering tot Europa in de jaren zestig door de Gaulle werd aangegrepen tot een vernederende Canossagang door zijn veto tegen Britse toetreding. In de woorden van de journalist James Reston: „Nothing hits an Englishman harder than not being admitted to a Club, and especially to the one he really believes himself to be too good for.”

Tot nu toe is de berichtgeving over de eurocrisis gedomineerd door Angelsaksische analyses, met als gezaghebbende stemmen Britse kranten als de Financial Times. Volgens Padoa-Schioppa zijn die eurodoemscenario’s die daarin werden uitgemeten een afspiegeling van de Britse verwachting dat de euro zal mislukken. Die verwachting is diep verankerd in de hoofden van de Britten. De Engelse taal werkt door de Angelsaksische media als een vliegwiel voor dat gevoel van verwachting dat drijft op ressentiment. Het beeld van euro-ellende dat het oproept is vals.

Daarnaast is het van belang op te merken dat de belangen van rating agencies, hedgefunds, Wall Street én de Amerikaanse regering in een niet onbelangrijke mate met elkaar overlappen. In ieder geval congrueren ze sterker met elkaar dan met de belangen van de euro. Zo heeft de regering-Obama, die nog steeds vergeefs wacht op substantieel resultaat van fiscal easing, er belang bij dat de aandacht wordt afgeleid van de wankele fundamenten van de dollar, zoals de eurocrisis. Inderdaad zijn de Angelsaksische media er vooralsnog aardig in geslaagd de dollar uit de wind te houden door aandacht voor de naderende catastrofe in euroland. Maar dat zal de komende maanden moeilijk vol te houden zijn. De euro bezwijkt niet.

Welke conclusies moet Nederland hieruit trekken? Ten eerste: de euro is een politiek project dat draait om het proces van Europese eenwording. Het is de politiek die de euro zal maken of breken. Het gevaar voor de euro schuilt dan ook niet in de eerste plaats in ratings van lidstaten maar in de politiek, trendy Euroscepsis van euroregeringen in het bijzonder.

Ten tweede: the friends of free trade, zoals de vroegere staatssecretaris Ernst van der Beugel de Britten wel eens liefdevol noemde, zijn niet langer onze beste vrienden nu we deel zijn van euroland. Reflexen van de door Ian Buruma zo treffend getypeerde Hollandse anglomania brengen zelfs de belangen van Nederland (als eurolid) in gevaar.

Ten derde: het is dringend geboden aan te haken bij de constructieve krachten in de regering-Merkel, de Europese Commissie en bij Van Rompuy die druk doende zijn met de uitwerking van verdere (fiscale) harmonisering als antwoord op de eurocrisis.

In die uitwerking gaat het, behalve om duidelijker regels en betrouwbaarder staatshuishoudscijfers, op de wat langere termijn onherroepelijk ook om een zo rechtvaardig mogelijke vormgeving van de onvermijdelijke transfer van ‘Noord-Europese’ welvaart naar ‘Zuid-Europa’. Het is kortzichtig om te doen alsof met zo streng mogelijke budgettaire regels en het (Britse) adagium van ‘hoe dan ook, zo min mogelijk Europa’ de kous van de herstructurering van de EMU af kan zijn. De bail out betekende niet alleen de redding van Griekenland en Ierland. Het betekende ook de redding van de Europese banken (vol met schuldpapier van deze landen).

Veel meer dan een last is de euro een pijler onder de sterk vervlochten Nederlandse en Duitse exporteconomieën. Als het de EU in 2011 zou lukken om constructieve oplossingen te bedenken over steun aan de in nood verkerende partners, dan kunnen ook de markten niet meer om de euro heen. Dat zou de Nederlandse en Duitse handels- en bankbelangen bij uitstek dienen.

Mathieu Segers is verbonden aan de faculteit geschiedenis van de Universiteit Utrecht.