De opties die nog over zijn

De gezichten van Europese regeringsleiders staan de laatste tijd iets minder strak.

Maar dat de ergste paniek voorbij is, betekent niet dat de schuldencrisis is bezworen.

Geld went snel, maar schulden ook. De ergste paniek over de Europese schuldencrisis is voorbij. De rentes op staatsobligaties dalen, Portugal en Spanje worden niet meer dagelijks genoemd als de volgende landen die alleen kunnen overleven met internationale steun. Maar intussen zijn de schulden van de eurolanden geen cent kleiner geworden. In tegendeel, iedere dag lopen de schulden verder op. Al was het maar door de rente die de landen moeten betalen over hun torenhoge schulden.

Ook de reddingsacties van ongekende omvang wennen. Een paardenmiddel zoals het Europese stabiliteitsfonds was een jaar geleden, ten tijde van de Griekse crisis, nog controversieel. In Brussel spreken regeringsleiders vandaag over een forse uitbreiding van het noodfonds. Van ophef of onrust is geen sprake. De schulden en de bestrijdingsmiddelen hebben hun fear factor verloren.

Wie oppervlakkig kijkt kan zelfs de indruk krijgen dat de piek van de eurocrisis achter de rug is. De gezichten van Europese regeringsleiders staan iets minder strak. De krantenkoppen zijn minder alarmerend, de analisten van banken minder zwartgallig.

Er zijn weer lichtpuntjes. De Europese Centrale Bank heeft afgelopen week geen staatsobligaties hoeven opkopen van landen die moeite hebben zelf afnemers van hun schulden te vinden. De week daarvoor kocht de ECB voor slechts 146 miljoen euro. Dat is een groot verschil met voorgaande maanden. De ECB heeft tot nu toe voor 76,5 miljard euro aan obligaties gekocht van Ierland, Griekenland, Spanje en Portugal. Het doel: de waarde van staatsobligaties stabiel houden en de rente drukken.

De strategie lijkt succes te boeken: obligatiekopers – banken, pensioenfondsen, verzekeraars – hebben meer vertrouwen. Portugal plaatste deze week 1,23 miljard euro schuldpapier tegen een lagere rente dan voorheen. Ook de Spaanse rente daalt.

Dat klinkt dus goed allemaal. Toch is Europa nog lang niet uit de problemen. De symptomen zijn bestreden, maar de ziekte is niet genezen. Schulden zijn afgedicht met nog meer schulden. De schuldquote van de verschillende eurolanden – de staatsschuld als percentage van het bruto binnenlands product – is daardoor de afgelopen jaren fors toegenomen. Portugal had in 2005 een schuldquote van 63 procent, in 2010 was dat 76 procent. Ierland is van 105 naar 116 procent gegaan. Griekenland van 100 naar 126. Nederland van 51,8 naar 60,8.

Bovendien zijn niet alle gaten gedempt. Spanje heeft 20 procent werkloosheid. Hoe langer dat zo blijft, hoe meer mensen hun hypotheek niet kunnen betalen, waardoor banken straks opnieuw moeten afboeken op de hypotheken die ze hebben uitstaan. Hetzelfde geldt voor Ierland. Banken hebben miljarden slechte leningen uitstaan bij bedrijven en consumenten. Als de economie niet snel aantrekt, hebben Ierse banken mogelijk nog meer steun nodig. Van hun overheid, die ook al blut is en geld leent van het Europese stabiliteitsfonds.

Ooit moeten die schulden worden afgelost. Maar hoe? Een aantal mogelijke oplossingen op een rij.