De logica van de lijn

Soms schept het werk van een fotograaf verwarring. Je kijkt en voelt: er is iets. Maar wat? De meer dan honderd foto’s en fotowerken van László Moholy-Nagy, die worden getoond in het Gemeentemuseum Den Haag op de expositie De kunst van het licht, hebben iets claustrofobisch. Maar waarom? Komt dat door de opvallende aandacht van de kunstenaar voor lijnen en diagonalen? Of door het feit dat Moholy-Nagy voornamelijk mensen van een afstand fotografeert? Nee. Maar ineens daagt het: deze man fotografeert zonder horizon. De wereld die Moholy-Nagy toont is een universum opgedeeld in vlakken, schaduwen en vormen waarbij je, als toeschouwer,niet zozeer gedwongen wordt na te denken over wie je ziet, of wat, maar hoe je het ziet.

Zo legt hij bij de foto Schip in aantocht (1930) vooral de aandacht op de lange schaduwen die de wachtenden, vanachter belicht door een late middagzon, werpen op de kade. En zo is het besneeuwde landschap dat hij in 1928 fotografeerde vanaf de radiotoren in Berlijn eerder een prachtige, abstracte zwart-wit tekening dan een foto. In feite keek Moholy-Nagy met de ogen van een grafisch ontwerper naar de wereld. Met dat besef wordt het ineens spannend om te kijken naar zijn foto’s. Hij laat zien dat de logica en de rust van de lijnen, zoals we die kennen uit de schilderijen van Piet Mondriaan en Theo van Doesburg, ook toepasbaar is op het dagelijkse leven, vastgelegd met een simpele camera.

Het is ook niet toevallig dat de fotografie van Moholy-Nagy zo’n sensatie teweeg kan brengen. Over fotografie had de Hongaarse kunstenaar hele specifieke opvattingen. Vanaf het moment dat mensen een camera gingen gebruiken om de wereld vast te leggen, moest volgens hem de schilderkunst worden ontdaan van haar afbeeldende functie. Het scheppen in kleur was de voornaamste taak van de schilder. Het was aan de fotografie om zich op vorm te richten. En niet alleen dat. Fotografie had, net als film, licht als essentieel ingrediënt. Licht was volgens Moholy-Nagy iets om mee te spelen en te experimenteren. Fotograferen vatte hij dan ook letterlijk op als ‘schrijven met licht’.

Dat verklaart ook waarom hij een groot deel van zijn leven besteedde aan het verfijnen van zijn fotogrammen – zorgvuldig geconstrueerde afdrukken die hij maakte, zonder camera, door objecten in de donkere camera op lichtgevoelig papier te belichten. In het Gemeentemuseum zijn er nu zo’n veertig te zien. Het zijn eenvoudige composities, bestaande uit meestal ondefinieerbare objecten, waarbij Moholy-Nagy probeerde alle grijsschakeringen tussen zwart en wit te vangen. Het zijn verfijnde werkjes, met als hoogtepunt een afdruk getiteld Fotogram, 1922 waar de schuine lijntjes, naast de spiraalvormige compositie met schuine vlakken, doen denken aan een leeg zandstrand dat op grote hoogte is gefotografeerd.

Los van deze abstracte fotocomposities, maakte Moholy-Nagy, zowel thuis als op reis, veel gebruik van de camera. Net als andere aanhangers van de Nieuwe Fotografie – een stroming die in de jaren twintig van de vorige eeuw ontstond – was hij geïnteresseerd in het fotograferen van constructies die de industriële beschaving had voortgebracht. Die verworvenheden van zijn tijd legde hij vast door middel van een eigen vormentaal. Dat deed door te fotograferen vanaf hoge standpunten, of juist close-ups te nemen en door telkens te kijken naar patronen en herhalingen. Een goed voorbeeld hiervan zijn de studies die hij in 1929 maakte van de zweefbrug van Marseille, een geliefd object dat in die tijd door meer fotografen werd vastgelegd.

Deze opnames, die aan het begin van de expositie hangen, geven de indruk dat Moholy-Nagy een wel heel analytische blik op de wereld werpt. Toch blijkt dat niet te kloppen. In een zaal verderop tonen een aantal opnames dat Moholy-Nagy, los van zijn grafische blik, ook een zeer menselijke, zelfs humoristische kijk op de wereld had. Een goed voorbeeld is de ongedateerde foto Bij het café, waarop twee kleine leeggedronken kopjes koffie te zien zijn, naast de voeten van twee heren. Ontroerend is ook de foto die hij in 1930 maakte aan Lago Maggiore in Zwitserland. Van twee kinderen, die staand op een steiger kijken naar hun spelende vriendjes in het water, fotografeerde hij slechts de benen. Natte voetafdrukken van henzelf of van anderen zijn zichtbaar op het houten planken. Het leven is om van te genieten, dat is wat beide beelden uitdragen. En kunst is er om dat genot te verhogen. Vandaar ook dat Moholy-Nagy in 1944, twee jaar voor zijn dood schreef: ‘Kunst is de slijpsteen van de zintuigen, die de blik, de geest en de waarnemingen scherpt.’ Het zijn woorden van een idealist, van een man die zijn leven lang probeerde om kunst dichter bij de toeschouwer te brengen. Maar wie nu, ruim tachtig jaar later, kijkt naar wat die filosofie heeft opgeleverd, kan alleen maar concluderen dat Moholy-Nagy, in zijn eigen geval, gelijk heeft gekregen. Met zijn foto’s laat hij zien dat schoonheid in het alledaagse schuilt.