Brechter dan Brecht

Zowel Het Zuidelijk Toneel als het Nationale Toneel speelt Bertolt Brecht. Het is geen toeval: maatschappelijk relevant toneel in tijden van crisis. „Brecht zit vol actualiteit.”

Den Haag, 31-01-2011. Repetitiebeeld in zeer vroeg stadium van de "Driestuiversopera" bij Het Nationale Toneel, onder regie van Franz Marijnen met o.a. Anniek Pheifer, Mark Rietman, Peter Tuinman, Betty Schuurman, Frans van Deursen en Bien de Moor. Foto Leo van Velzen NrcHb. Foto Leo van Velzen NrcHb
Den Haag, 31-01-2011. Repetitiebeeld in zeer vroeg stadium van de "Driestuiversopera" bij Het Nationale Toneel, onder regie van Franz Marijnen met o.a. Anniek Pheifer, Mark Rietman, Peter Tuinman, Betty Schuurman, Frans van Deursen en Bien de Moor. Foto Leo van Velzen NrcHb. Foto Leo van Velzen NrcHb

Iedereen op het toneel zingt mee in het slotlied van Mahagonny Songspiel & Het lied van de stad. De acteurs en de musici, maar ook de technici en de verkleedsters – iedereen die je normaal niet ziet, laat staan dat je ze ziet zingen. Samen bejubelen ze in ‘Ode aan de stad’, hun Tilburg, dat zo geweldig is „met zijn Kruidvat en zijn Hema, scootmobiel, woonwerkverkeer, kliko, meubelboulevard, alfahulp, frikadel, herhaalrecept, abattoir”. Iedereen zingt mee, want het maakt niet uit wie je bent: acteur of technicus.

Die ultieme gelijkheid is een knipoog van regisseur Matthijs Rümke naar het politieke toneel van de jaren zeventig, toen het niet mocht uitmaken of je arbeider was of directeur. En het is een knipoog naar de al even geëngageerde Bertolt Brecht, die met componist Kurt Weill Mahagonny Songspiel maakte. Het stuk uit 1927 gaat over vier mannen en twee vrouwen op zoek naar hun ideale stad, Mahagonny. Daar aangekomen valt het gezelschap uiteen in zij die geld willen uitgeven, aan pokeren, whisky en andere lusten, en zij die willen verdienen. Algauw blijkt Mahagonny niet zo ideaal en verlangen ze naar een nieuwe stad. Let’s go to Benares.

Het was tijd voor een maatschappijkritisch stuk, zegt Matthijs Rümke (1954) van het Zuidelijk Toneel. „In deze tijd van kredietcrisis en exorbitante bonussen.” Hij kwam uit bij Mahagonny – omdat het Brecht is die het politieke toneel min of meer heeft uitgevonden, en omdat het gaat over de utopische stad. „Dat is hét thema, in deze kapitalistische tijd waarin meer dan de helft van de bevolking in de stad woont.”

Brechts Mahagonny duurt maar een half uur. Rümke maakte met schrijver Tom de Ket een deel twee van anderhalf uur, over de stad anno 2011. Waar Brecht geïnspireerd was door Marx, is Rümke beïnvloed door filosofen als Joep Dohmen, die de mens bestudeert in de prestatiemaatschappij. „Brecht wou een uitspraak doen over de mens die door zijn eigen hebbelijkheden gevangen zit in het kapitalistische model. Wij laten ook de prestatiedrift zien, die al begint op de basisschool.”

En als je dan politiek theater maakt, vindt Rümke, dan volgens het boekje. Dus met publieksparticipatie. Net als in de jaren zeventig, toen theater geen eenrichtingsverkeer mocht zijn. „Het was niet vóór jullie maar mét jullie.” Naast de professionele cast doen in Mahagonny lokale koren mee, kinderklassen en amateurspelers. In iedere stad zijn dat weer andere. Rümke gaat zo ver dat hij iedereen uitnodigt op het toneel zijn hart te luchten. Een huwelijksaanzoek doen bijvoorbeeld. „Ik wil dat de voorstelling onderdeel is van de samenleving.”

Bertolt Brecht is terug op het Nederlandse toneel. Nergens ter wereld werd zoveel Brecht opgevoerd, eind jaren zestig tot halverwege jaren zeventig, als hier. Het politieke toneel van de Duitse schrijver vond een welkome voedingsbodem, bij geëngageerde regisseurs en acteurs. De Amsterdamse toneelschool, bijvoorbeeld, moest begin jaren zeventig een Brecht-school worden. Maar daarna, en zeker na de val van de Berlijnse Muur in 1989, was Brecht minder te zien. Maatschappelijke betrokkenheid op het toneel was ‘uit’. Daarom werden meer existentiële stukken gespeeld.

Regisseur Matthijs Rümke is een kind van de jaren zeventig, opgegroeid met het rode boekje voor scholieren. Hij heeft een tijdlang niet zozeer Brecht ‘weggedaan’ als wel het hele politieke toneel. „We hadden tabak van onze stupiditeit van het politieke theater van de jaren zeventig, omdat er altijd een moraal bijkwam. De arbeider goed en de directeur slecht – dat is een niet vol te houden dogma. Kunst moet gaan over troost.”

Brecht was nooit helemaal weg. Moeder Courage was in 1991 te zien bij Toneelgroep De Appel, De Kaukasische Krijtkring in 1996 in het Openluchttheater van het Amsterdamse Bos, en datzelfde jaar speelde ’t Barre Land Brechts eerste stuk Baal. Maar er was wel veel minder Brecht. Volgens Rümke was er in de jaren negentig ook weinig politiek theater, omdat het idee heerste dat de wereld af was. Daarom werden stukken abstracter. Na de aanslagen op de Twin Towers op 11 september 2001 bleek de wereld toch niet zo af. „De strijd tussen Oost en West werd zichtbaar. En daar komt bij dat het kapitalisme zich nu van zijn lelijkste kant laat zien.”

Maatschappelijk relevant toneel in tijden van crisis – dat is Brecht. Het is geen toeval dat er dit seizoen twee Brechts op het Nederlandse toneel zijn. Behalve het Zuidelijk Toneel, waar Mahagonny twee weken geleden in première ging, speelt het Nationale Toneel binnenkort de Driestuiversopera uit 1928 – ook met muziek van Weill. Eigenlijk geen opera, maar een stuk met 22 liedjes, met de thema’s corruptie, armoede en ‘misdaad loont’. Terwijl het Zuidelijk Toneel na een half uur overgaat op zijn eigen lied van de stad, speelt het Nationale Toneel alleen Brechts tekst, die veel langer is. Het is geen toeval dat het stukken zijn die Brecht eind jaren twintig schreef. Regisseur Franz Marijnen: „In 1929 stond de wereld in brand, er was net als nu een grote crisis. De rijken dansten op de rand van de vulkaan. Het nationalisme vierde hoogtij.”

Het Nationale Toneel zit nog in de repetitiefase. Bij een eerste voorstelling voor de medewerkers, na twee weken repeteren, blijkt dat de acteurs lol hebben in het zingen: Mark Rietman in wit pak zingt als de doortrapte Mack Mes (‘Mackie Messer’, in de Duitse versie) de beroemde woorden: „Eerst komt het vreten, dan de moraal.” Betty Schuurman en Peter Tuinman zingen als mevrouw en meneer Peachum, de bedelaarskoning, hoe teleurgesteld ze zijn in de jeugd, nu hun dochter tegen hun zin trouwt met Mack Mes. „In plaats van thuis te blijven in hun warme bed./ Willen ze pret.”

Voor Marijnen (1943) is dit de eerste Brecht. Op jonge leeftijd knapte hij af op de Duitse schrijver, die hij aanvankelijk bewonderde om zijn taalrijkdom. Als student liep Marijnen halverwege de jaren zestig stage bij het door Brecht opgerichte Berliner Ensemble. Brechts vrouw, Helene Weigel, was er nog de baas. „Daar stond ik, snotneus tussen al die grote acteurs, en ik heb alle voorstellingen twee keer gezien. Er werd ongelooflijk goed gespeeld.”

Maar toen ontdekte Marijnen bij het theater een ommuurde parkeerplaats vol chique auto’s. „Geen Trabantje te zien. Bleek dat al die acteurs, die hartstochtelijk hun marxistische boodschap naar het publiek brachten, comfortabel in het Westen woonden. Plots was het allemaal hypocriet. Ook Brecht zelf was zo geweest. Niet vies van luxe en dure Cubaanse sigaren. Een geldwolf.” Behalve de hypocrisie stoorde Marijnen nog iets. Het stoorde hem dat Brecht een „theoretisch vademecum” meegaf hoe zijn stukken gespeeld moesten worden. „Dat vind ik verdacht. Alsof een schrijver het stuk van een afstand bekijkt en het indrukwekkender vindt dan het is. Laat de rest aan ons over.”

Inmiddels is Marijnen ouder en minzamer. „Ik ben erachter gekomen dat de helft van mijn bibliotheek bestaat uit ‘foute’ auteurs, zoals Céline. Dus heb ik in mijn hoofd het vakje ‘persoon Brecht’ dichtgedaan en het vakje ‘schrijver Brecht’ opengezet.” Marijnen besloot dat het tijd was voor Brecht, toen hij hoorde over Bernard Madoff, de Amerikaanse belegger die is veroordeeld wegens grootschalige oplichting. „Wat een corruptie. Wat een schaamteloosheid. Madoff haalde zijn geld bij joodse liefdadigheidsinstellingen!” En er was de instortende economie. „Ik dacht: dat zit allemaal in de stukken van Brecht. Witwassen, corruptie, bedrog, klassenverschil, leugens, te veel geld uitgeven. De overeenkomst met nu drong zich op.” Zakelijk leider Evert de Jager besloot dat het de Driestuiversopera moest worden. „Toen zat ik eraan vast”, zegt Marijnen, die zijn stuk opdraagt aan de vorig jaar overleden De Jager.

Dit is zijn manier, zegt Marijnen, van kritiek leveren op de wereld waarin geluk alleen maar lijkt gebonden aan geld en consumptie. „Wat kan ik daaraan doen? Niets, behalve een stuk maken dat erover gaat.” Brecht zit vol actualiteit. „Mack Mes krijgt aan het eind een kasteel, bediendes en een decoratie van de koningin. Misdaad loont, zo is het. In België blijkt eenderde van de mensen die een lintje krijgt corrupt. Daar kun je een stuk over laten schrijven. Of je kunt teruggrijpen naar een stuk uit 1928.”

Het Zuidelijk Toneel vroeg Tom Kleijn een vertaling te maken van Mahagonny. „Die bestond niet in deze vorm”, zegt Rümke. Het Nationale Toneel liet een vertaling maken van de Driestuiversopera door de Belg Geert van Istendael. Expres geen Nederlander, zegt de Belg Marijnen: „De tekst moest zo hard mogelijk, zonder verkleinwoordjes en vergoelijkende adjectieven als leuk en heerlijk en netjes.”

Ook de tweeëntwintig liedjes, die vaak in het Duits worden gezongen, zijn nu vertaald. „Anders mis je de belangrijkste zinnen. De waarde van de Dreigroschenoper zit in de liedjes. Daar wordt een kat een kat genoemd.” Marijnen hamert er bij zijn acteurs op dat de liedteksten duidelijk worden gezongen. „Ik sta enorm te vitten op de medeklinkers, je moet alles horen.” Er moet hardheid in, vindt hij. „Dat is makkelijker in het Duits. Daar heeft het woord Brot al een lading die kippenvel veroorzaakt. Duits is een taal van bevelen. Maar tegelijk een zorgvuldige taal. ’’

Franz Marijnen kan weer genieten van de man, die onvergetelijke teksten schreef. „Brecht kan zo verrassen met één zin waarin alles op zijn plaats valt. Zo’n banale zin als ‘Erst kommt das Fressen und dann die Moral’ – dat staat.” Hij looft de taalrijkdom – „ik heb nu ook zijn pornografische gedichten ontdekt” – en Brechts theorieën over de Verfremdung, de bewering dat een acteur niet voor de emotie moet gaan maar voor de ratio. „Als je naar Brecht gaat kijken, moet je je hoofd niet bij de garderobe afgeven.”

Zowel Rümke als Marijnen roemt de manier waarop Brecht zang gebruikt. „Bij Brecht valt de muziek en de poëzie van de zin samen”, zegt Rümke, die vorig jaar Shakespeares Richard III regisseerde met muziek van Tom Waits. „Het lekkere van zingen is dat je het er rechtstreeks uit kunt knallen.” Met zang kun je meer zeggen, vindt Marijnen. „Je moet zingen als je het sprekend niet meer kunt zeggen. Bij Brecht is de song de bekroning van een tekst.”

De muziek van Kurt Weill is in de stukken zeer belangrijk. „Muziek is een goed middel om de openheid te krijgen die nodig is in de grote zaal”, zegt Rümke. Het grote voordeel van de muziek van Weill, zegt Marijnen, is dat je er de beste musici voor kunt krijgen. „Normaal moet je een orkestje van conservatoriumstudenten bijeenrapen. Weill was een meester-sampler. We hebben het Asko/Schön berg Ensemble meteen bereid gevonden.”

In Mahagonny wordt de muziek gespeeld door het Willem Breuker Kollektief, de in 1974 opgerichte anarchisten van de Nederlandse jazz. Matthijs Rümke had Willem Breuker gevraagd voor het tweede deel de muziek te componeren. Maar Breuker werd ziek toen ze net begonnen waren. Op zijn sterfbed heeft Breuker toestemming gegeven zijn bestaande muziek te gebruiken.

De erven Brecht en met name ook die van Weill zijn berucht om hun toezicht op de uitvoering van hun stukken. Alles moet volgens de aanwijzingen – in letter en geest. In 2007 werd de uitvoering van Mahagonny door Alba Theaterhuis nog verboden, omdat er geen geschoolde zangeres werd gebruikt en omdat er passages uit twee latere versies van het stuk werden opgenomen. Rümke: „Wij doen Mahagonny Brechter dan Brecht. Daar hebben we duur voor getekend. ’’ Marijnen: „Met Brecht heb ik geen problemen. Ik gebruik zijn tekst die ik interpreteer. Maar met Weill mag je geen noot mispeuteren.”

In de enscenering van Mahagonny en de Driestuiversopera zoals die nu worden opgevoerd, zit een opmerkelijke overeenkomst: er wordt gemotoriseerd gereden op het toneel om de scenes aan elkaar te verbinden. Met treintjes bij het Zuidelijk Toneel en met Piaggio Ape’s, Italiaanse driewielerbestelwagentjes, bij het Nationale Toneel. Alsof Brecht anno 2011 toch extra dynamiek nodig heeft. Marijnen zegt dat zijn grootste zorg is het tempo in de voorstelling te houden. „Met vier wielen en zo’n wagentje houd ik de continuïteit.” Brecht wordt nu beter gespeeld dan veertig jaar geleden, vindt Rümke, toen toneel en politiek een huwelijk hadden. „We hebben er nu een theatertaal voor, die complexer is dan de simplistische taal van gezelschappen als Proloog. Wij vellen geen oordeel. Het doel van onze voorstelling is onszelf even onhelder als het publiek – gelukkig maar.” Het grootste compliment dat Brecht hem kan geven? „Gut. Ja, gut.”

Mahagonny Songspiel is nog tot 1 maart te zien. De Driestuiversopera is van 8 maart t/m 19 juni te zien. Speellijsten: www.hzt.nl en www.nationaletoneel.nl