Wie hier woont , geeft vrouwen de hand

Het is onverteerbaar dat vrouwendiscriminatie gewoon weer kan. Ook moslims moeten zich aan onze regels houden, vindt Heleen Crul.

Een docent van de Hogeschool van Amsterdam hoeft vrouwen niet de hand te schudden van zijn werkgever. De docent bedrijfseconomie weigerde na een bedevaart naar Mekka dat nog langer te doen. Het college van bestuur vindt dat die weigering ‘moet kunnen’: een islamitische docent mag op religieuze gronden fysiek contact met vrouwen weigeren. „We staan open voor alle religies en dan is acceptatie van dat wat afwijkt van de normen een groot goed”, vindt bestuursvoorzitter Karel van der Toorn. Een opmerkelijke standpunt omdat het hier over een onderwijsinstituut gaat dat neutraal is. Van der Toorn versterkt zijn motieven met de opmerking: „Japanners geven ook geen hand, maar buigen. Daar doet toch ook niemand moeilijk over?”

Die uitspraak is kenmerkend voor de blinde vlek die Nederland heeft voor dit soort zaken. Japanners geven geen hand, niet aan mannen en niet aan vrouwen. Maar ze buigen wel voor beiden. In ons land wordt maar zelden gediscussieerd over dergelijke zaken. Dit wordt gelegitimeerd met het wettelijk recht op ‘vrijheid van godsdienst’. Maar waarom krijgt dit recht voorrang op de gelijke behandeling die ook verankerd is in onze grondwet? Waarom tolereren wij op die manier discriminatie van vrouwen?

Binnen het islamitische wereldbeeld worden vrouwen gezien als inferieur en onrein. Je raakt ze als man niet aan, je geeft ze geen hand. Deze houding wordt niet door Mohammed of door de Koran voorgeschreven. Arabische schrijfsters als Fatima Mernissi en Nawal El Sadaawi hebben overtuigend aangetoond dat de heilige teksten van de islam worden misbruikt.

In Nederland is de discriminatie van vrouwen de afgelopen veertig jaar door actiegroepen, maatschappelijke discussies en ten slotte ook door politiek beleid en wetswijzigingen weggewerkt. Het was een lange strijd, maar hij is gewonnen. Door de komst van moslims is de discriminatie van vrouwen weer terug van weggeweest.

Het is een onaangenaam déjà vu. Ook in de westerse wereld zijn vrouwen eeuwenlang een tweede sekse geweest. Binnen het christendom werd hun minderwaardige positie gelegitimeerd door een exclusieve vadergod, die niet alleen superieur is, maar ook mannelijk. In alle patriarchale godsdiensten zie je dan ook dezelfde mechanismen: mannelijke leiders manipuleren de heilige teksten of de uitleg ervan om de (seksuele) autonomie van vrouwen te beteugelen. De mannelijke, moeilijk beheersbare gevoeligheid voor seksualiteit die hen zwak maakt, projecteren zij op vrouwen. Het lichaam van de vrouw wordt als een steen des aanstoots beschouwd en dient bedekt te worden. Geboden en verboden leggen de vrouwelijke seksualiteit aan banden. Vrouwen worden met beperkingen en taboes omringd.

In het maatschappelijke klimaat van nu lijkt dit alles een gepasseerd station. Niettemin hebben deze opvattingen tot in de jaren zeventig ook hier geheerst. Overal in de westerse wereld zijn vrouwen sindsdien gelijkwaardige mensen geworden met dezelfde rechten als mannen. Deze rechten dienen gerespecteerd te worden door moslims die zich hier hebben gevestigd. Waarom durven wij de moslimgemeenschap niet duidelijk te maken: ‘Zo zijn onze manieren. Wij geven elkaar een hand als een neutraal gebaar van beleefdheid.’

Niemand kan van ons verwachten dat ons respect voor een andere cultuur zo groot is, dat onze eigen fundamentele waarden in het geding komen. Temeer omdat onze eigen cultuur zich nog maar zo kort geleden heeft ontworsteld aan deze religieuze dogmatiek.

Toe te staan dat vrouwen geen hand krijgen van een islamitische docent is strijdig met die gelijke behandeling en op geen enkele manier te verdedigen.

Dat dit niettemin wordt gebagatelliseerd is toe te schrijven aan de typisch Nederlandse eigenschap om confronterende problematiek ‘pragmatisch’ te benaderen. Een mentaliteit die Johan Huizinga de „onverschilligheid van de geest” noemde.

Heleen Crul is publiciste.