Wel/niet levensvatbaar

Lang waren het de kleine christelijke partijen die zich tegen de abortuswetgeving in Nederland verzetten.

Nu sluiten het CDA en de PVV zich daar bij aan.

Nederland, Nijmegen, 2009 Museum for Anatomy and Pathology St Radboud University Medical Centre Nijmegen. Een embryo in de baarmoeder. An embryo Foto: Frank Muller/HH
Nederland, Nijmegen, 2009 Museum for Anatomy and Pathology St Radboud University Medical Centre Nijmegen. Een embryo in de baarmoeder. An embryo Foto: Frank Muller/HH Frank Muller/Hollandse Hoogte/>

Toen het CDA nog met de ChristenUnie regeerde, viel het te verwachten dat de discussie over abortus zou oplaaien. Toen bleef het stil. Nu een liberale premier aan de macht is, staan de zwaar bevochten abortusregels opeens als nooit tevoren ter discussie. Hoe kan dat?

Onlangs zorgde een CDA-Kamerlid voor commotie toen zij verklaarde dat de abortusgrens verlaagd zou moeten worden van 24 naar 22 weken. Nu mag een arts een foetus weghalen tot hij 24 weken oud is. Het Kamerlid reageerde op een nieuwe richtlijn van artsen, waaruit zou blijken dat door verbeterde medische technieken te vroeg geboren baby’s al bij zes maanden levensvatbaar zijn.

Het zijn niet langer uitsluitend de kleine christelijke partijen die zich verzetten tegen de abortuspraktijk in Nederland. Twee fracties met grote invloed op het regeringsbeleid sluiten zich bij hen aan: het CDA en de PVV. De partij van Wilders heeft altijd moeite gehad met late abortussen, maar had in het vorige kabinet minder te zeggen. Nu gedoogt de PVV het minderheidskabinet en beraadt de partij zich op een verbod op abortus van foetussen ouder dan 14 weken.

De huidige abortusregels zijn uniek en op typisch Nederlandse wijze tot stand gekomen. Begin jaren tachtig wist CDA-minister van Justitie De Ruiter met zijn VVD-collega van Volksgezondheid een bijzonder compromis te sluiten. Abortus bleef naar wens van christelijke partijen strafbaar, maar tegelijkertijd werden de drempels voor abortusvoorzieningen verlaagd, zoals de liberalen en sociaal-democraten wilden. In de wet afbreking zwangerschap uit 1981 staat dat abortus alleen mag wanneer de noodsituatie van de vrouw de afbreking van de zwangerschap onontkoombaar maakt. Het CDA overwon de hevige weerstand in eigen kring en stemde voor. De ernst van de noodsituatie van vrouwen hebben abortushulpverleners evenwel nooit getoetst. Zij gingen er altijd van uit dat vrouwen die om abortus vragen, per definitie in nood verkeren. Ook sociale motieven als geldgebrek of slechte huisvesting kunnen redenen zijn om de zwangerschap te beëindigen.

Door die twee ogenschijnlijke tegenstrijdigheden te verenigen – strafbaarheid én laagdrempelige abortusvoorzieningen – had Nederland in de jaren 80 en 90 het laagste abortuspercentage ter wereld. Inmiddels is dat aantal van 18.000 per jaar weer opgelopen, tot circa 30.000. Deskundigen schijven dat toe aan migranten, die minder gevoelig lijken voor voorlichting over anticonceptie.

In de abortuswet staat niet tot wanneer vrouwen hun zwangerschap mogen afbreken. Die termijn komt uit het Wetboek van Strafrecht. Daarin staat dat sprake is van levensberoving als een foetus die zelfstandig buiten het moederlichaam zou kunnen bestaan, wordt geaborteerd. Abortus is legaal zolang de foetus niet levensvatbaar is. Artsen zijn er lang van uitgegaan dat foetussen levensvatbaar zijn vanaf 24 weken.

Tot voor kort was niet goed vast te stellen hoe lang een vrouw precies zwanger was. Artsen hielden er rekening mee dat zij zich twee weken konden vergissen en spraken daarom af dat zij een zwangerschap boven de 22 weken niet meer zouden afbreken. Alleen als er medische redenen zijn, doen ziekenhuisartsen het daarna; dat gebeurt 100 à 150 keer per jaar.

Sinds 2007 krijgen alle vrouwen bij 20 weken zwangerschap een echo aangeboden. Dan hebben zij nog net genoeg tijd om tot abortus te besluiten. Sindsdien is het aantal late abortussen duidelijk gestegen: van 140 in 2005 tot 288 in 2009.

Daarnaast kunnen er steeds meer piepjonge baby’s in leven gehouden worden, zeker nu de gynaecologen en kinderartsen volgens een nieuwe richtlijn de zorg voor te vroeg geboren baby’s beter coördineren. Artsen zijn het erover eens dat ze voortaan kindjes van 24 weken in leven proberen te houden. Voorheen was dit 25 weken.

Voor het CDA was dit aanleiding om de abortustermijn voorzichtig ter discussie te stellen. De partij kijkt uit naar de brief waarmee minister Schippers (Volksgezondheid, VVD) deze maand komt. Schippers liet de Tweede Kamer weten dat de levensvatbaarheidsgrens, en dus ook de abortusgrens wordt bepaald door de medische wetenschap. Zij beloofde zich door betrokken beroepsgroepen te laten informeren. Verenigingen van gynaecologen, kinderartsen en abortusartsen zien echter geen reden om de abortusgrens te verlagen. Dat artsen nu sommige baby’s van 24 weken in leven proberen te houden, alleen als de ouders dat willen, betekent volgens hen nog niet dat de levensvatbaarheid is toegenomen.

Voor aanpassing van de abortuspraktijk is het standpunt van de VVD cruciaal. Deze partij zal de abortusmogelijkheden niet snel inperken. Frank Vandenbussche, hoogleraar verloskunde aan het Universitair Medisch Centrum St Radboud, is daar echter niet zo zeker van. „In Duitsland is de abortustermijn in 1996 ook opeens teruggebracht van 24 naar 12 weken terwijl artsen daar tegen waren”, zegt hij.

Vandenbussche voorspelt dat als de abortustermijn omlaag gaat, vrouwen ook eerder, bijvoorbeeld rond 16 weken, een echo krijgen. Dan blijft er voor een abortus daarna voldoende tijd. Dat zou hij betreuren, omdat zo’n vroegere echo veel minder informatief is. Een open ruggetje is dan heel lastig te zien. Voordeel zou hij wel vinden dat ongewenst zwangere vrouwen hierdoor gedwongen worden eerder in de zwangerschap over abortus na te denken. Vandenbussche: „Ik heb persoonlijk moeite met de late abortus zonder medische redenen. Het kind in de buik is dan al af.”