En daar komt opeens een aap uit de mouw

De aap komt nu ineens toch uit de mouw. Het kabinet-Rutte heeft wel ideeën over de bezuinigingen op hoger onderwijs maar amper over de verbetering ervan.

Deze waarheid is aan het licht gekomen dankzij de Raad van State die het kabinet met een kritisch advies heeft gedwongen zijn kortingsplannen voor het hoger onderwijs zo aan te passen dat er van de oorspronkelijke motivatie maar weinig over is.

Tot nu toe had staatssecretaris Zijlstra (Hoger onderwijs, VVD) steeds ontkend dat zijn boetebepalingen voor lakse studenten en instellingen een bezuinigingsmaatregel waren. Het ging hem om doelmatiger én beter onderwijs. Maar uit zijn wetsvoorstel doemt het beeld op dat de staatssecretaris toch vooral uit is op 370 miljoen euro, de ‘taakstelling’ die hij heeft.

De bewindsman blijft erbij dat de student die langer studeert dan het ene uitloopjaar in bachelor- en masterfase, daaraan via een strafopslag van 3000 euro op het collegegeld moet bijdragen. Hij ziet op advies van de Raad van State wel af van de boetes voor de instellingen. Die sanctie zou kunnen uitdraaien op de perverse prikkel om te trage studenten een diploma te schenken. Maar het ingeboekte bedrag wordt toch geïncasseerd: door een klassieke kaasschaafkorting. Pas na de reguliere regeerperiode van het kabinet-Rutte zal er weer serieus worden geïnvesteerd in het hoger onderwijs.

Met deze aanpassingen wekt Zijlstra de indruk dat hij luistert naar kritiek. Maar dat is slechts zeer ten dele het geval. Hij gaat voorbij aan tal van argumenten van de Raad van State. Dat mag. Het adviescollege heeft geen democratisch mandaat of uitvoerende macht. Dat neemt niet weg dat de raad wel verstandig kan zijn.

En dat zijn ze in hun advies. Ook bij de opslag voor studenten plaatst de Raad van State overtuigende kanttekeningen. In het verleden hebben andere maatregelen om studenten tot tempo aan te sporen niet gewerkt. Integendeel. De studieduur is sinds 1995 met vier maanden opgelopen. En dat ligt niet alleen aan de ‘jeugd van tegenwoordig’, schrijft de raad, maar vermoedelijk eerder aan het schrikbarend aantal college- en contacturen.

Zijlstra zelf voelt ook nattigheid. Hij geeft toe dat de wet qua opbrengst een sprong in het duister is (niet „evidence based”).

Dat hij zijn plan toch wil doorzetten, roept daarom ergernis op. Zijn loyaliteit jegens het kabinet, dat perse wil bezuinigen, is te prijzen. Maar datzelfde kabinet heeft ook beloofd het rapport Toekomstbestendigheid Hoger Onderwijs van de commissie-Veerman uit te voeren. Dat wringt. Zijlstra kan zijn wetsvoorstel beter aanhouden tot juni. Dan komt hij met een groot plan voor die bestendige toekomst. Dit kleinere plan tegen lang studeren hoort daarin thuis. Die vier maanden kunnen de bezuinigingen op het hoger onderwijs toch wel wachten.