Een beetje inbreker loopt op kousevoeten

Het zijn er niet alleen meer, het soort inbraken verandert ook.

Groepen, professioneel opererend, en vaak afkomstig uit Midden- en Oost-Europa.

01-02-2011. Dordrecht. In scene gezet forensisch onderzoek. Foto Bas Czerwinski
01-02-2011. Dordrecht. In scene gezet forensisch onderzoek. Foto Bas Czerwinski

Ze waren een lang weekend naar Londen geweest met hun twee dochters. Een reisje om dertig jaar huwelijk te vieren. Op de terugweg kregen ze een telefoontje: dat er in hun hoekhuis in Hendrik-Ido-Ambacht was ingebroken. In een klap was de feeststemming weg.

Bij de politie kwam de melding binnen om 17.20 uur. „Achterdeur geforceerd”, staat er in het verslag. Een surveillanceteam ging onmiddellijk kijken. „Ter plaatse zagen wij dat benedenverdieping en zolder niet doorzocht zijn. Op de 1ste etage was men wel in alle kamers geweest. (...) Alles is boven overhoop gehaald.”

Vorig jaar werd er in Nederland zo’n 77.500 keer ingebroken, zegt de politie, 7,5 procent meer dan in het jaar daarvoor. De politie baseert zich op interne schattingen, en zegt dat na jaren dalende cijfers het aantal inbraken de laatste jaren weer stijgt. Woninginbraken behoren tot de meest voorkomende misdrijven, na vernielingen, (brom)fietsdiefstallen en het stelen van en uit auto’s.

Minder dan 10 procent wordt opgehelderd, zegt Gerrit Den Uyl, portefeuillehouder Woninginbraken in de Raad van Korpschefs en plaatsvervangend korpschef politie Zuid-Holland-Zuid.

Opgehelderd, dat betekent dat de politie één of meer verdachten heeft verhoord. Het percentage woninginbraken dat tot een veroordeling leidt, ligt lager. Buitenlandse verdachten die in afwachting van hun proces op vrije voeten worden gesteld, ziet de politie zelden terug.

De pakkans moet groter, zei de Raad van Korpschefs al vorig jaar. Dat geldt voor alle misdrijven, maar vooral voor vermogensdelicten, en nog eens extra voor die, die het gevoel van veiligheid van burgers ondermijnen. „Anders dreigt een crisis in de opsporing”, zei een van de korpschefs. Raad van Korpschefs, Openbaar Ministerie en departement van Veiligheid en Justitie zijn druk bezig met een groot verbeterplan.

Het gedupeerde echtpaar uit Hendrik-Ido-Ambacht heeft vannacht bij vrienden op een luchtbed geslapen. Op verzoek van de politie hebben ze alle troep in huis laten liggen zoals ze die vonden. Begin van de ochtend meldt zich Corrie Naglé, met föhn en zware koffer. „Ik ben Corrie, forensische opsporing, van de politie Zuid-Holland-Zuid.” Straks volgen collega’s voor buurtonderzoek. Dat is in deze regio de standaardaanpak bij elke aangifte van inbraak, hoe klein ook de buit, ook bij poging tot inbraak. Dat doet niet elk politiekorps.

Corrie Naglé zoekt in en om het huis naar sporen. Met een kwast bepoedert ze een sieradendoos waardoor vingerafdrukken zichtbaar worden. Ze ziet alleen vegen van een plastic handschoen. Ook nergens in het huis voetsporen. Een beetje inbreker loopt op kousevoeten of draagt iets over zijn schoenen.

Het liefst vindt ze DNA-sporen, maar dat weten inbrekers ook. Ze laten geen peukjes meer achter zoals vroeger. Of etensresten. Of speeksel op bekers. Soms snijden ze zich aan het glas van een ingeslagen ruit. Dan heeft Corrie beet.

Maar inbraaksporen zijn er bijna altijd. Ook nu. Met grof geweld hebben de inbrekers drie sloten geforceerd. Achterdeur en sponning zijn ontwricht. Corrie maakt afdrukken van de beschadigingen die een breekijzer en een schroevendraaier hebben achtergelaten in het hout. Een rood breekijzer, getuige de verfsporen op de deur. Een 14 mm schroevendraaier. De föhn gebruikt ze om de kunststof te laten harden die ze op het hout heeft gesmeerd.

Jarenlang daalde het totaal aantal woninginbraken. In Zuid-Holland-Zuid sinds 2003 met meer dan 40 procent tot 1.089 in 2008. Drie per dag in een regio met zo’n 200.000 huizen. Volgens plaatsvervangend korpschef Den Uyl was dat te danken aan de inspanningen van de politie en succesvolle preventiecampagnes zoals met het Kenmerk Veilig Wonen die inbraakbeveiliging stimuleert. Ook landelijk daalde de aantallen jarenlang gestaag.

Maar de laatste jaren stijgt het aantal weer. Professionele eenlingen, vertelt Den Uyl, hebben plaatsgemaakt voor criminele groepen die in wisselende samenstelling opereren. Soms plegen ze wel tien inbraken in dezelfde regio in één nacht. In toenemende mate gaat het om groepen uit Midden- en Oost-Europa (MOE). ‘Moelanders’, zoals de politie ze noemt.

Zeker zeventig procent van de mensen die de politie ’s nachts na controles op doorgaande wegen mee naar het bureau neemt, zijn ‘Moelanders’, zoals Roemenen, Bulgaren en Litouwers. In hun auto vindt de politie een koevoet, een breekijzer, een zaklamp, een bivakmuts.

Sommigen worden in een jaar wel zes, zeven keer aangehouden. Maar rondrijden met inbrekerstuig geldt als overtreding, niet als misdrijf. Na maximaal zes uur moet de politie ze laten gaan. De boete voor de de overtreding wordt nooit betaald. Aanscherping van de wetgeving, zegt Den Uyl, zou het werk van de politie een stuk makkelijker maken.

Corrie Naglé verontschuldigt zich tegenover het echtpaar. „Vervelend dat ik door uw spulletjes moet rommelen.” „Dat hadden anderen al voor u gedaan”, zegt de man met toonloze stem. Zijn vrouw zit op de bank en staart door het raam. Had ze haar kostbaarheden maar verstopt, zoals ze voor vakanties altijd doet. „Dat vreemden zomaar je huis binnendringen.”

Die gouden ring met groeidiamant die ze van haar moeder had, ziet ze nooit meer terug. Net zoals twee andere gouden ringen en twee armbandjes van de kinderen. Eigenlijk hadden ze allebei vandaag moeten werken. „Dat kan er ook nog wel bij”, zegt de man.

De flatscreen-tv en de laptop hebben de inbrekers laten staan. „Tegenwoordig zijn ze meestal alleen geïnteresseerd in geld en sieraden”, zegt Corrie Naglé. „Jullie maken er wel werk van”, prijst de vrouw.

Buiten vertelt Corrie Naglé dat inbrekersbendes doorgaans niet kijken waar het meest te halen is, maar waar ze het makkelijkst binnenkomen en wegkunnen, vaak een hoekhuis. Schade is in veel gevallen groter dan de buit. Sommige slachtoffers maken hun hele huis schoon na een inbraak. Anderen kunnen niet meer rustig slapen. „Elke inbraak hakt er in.”

Op het hoofdbureau in Dordrecht zit Nico Groenendijk, 38 jaar bij de politie, sinds 2002 procescoördinator Woninginbraken. Elke ochtend om zeven uur present. Samen met collega’s probeert hij patronen in inbraken te vinden. Verbanden te leggen tussen aanhoudingen, signalementen, verdachte auto’s en manieren waarop de inbrekers te werk gaan. Om aanwijzingen te combineren met sporen die op het bureau worden onderzocht door een speciale schoenendeskundige en een werktuigdeskundige. Te stapelen zoals dat heet. En om die te koppelen aan personen. Lastig, tijdrovend werk.

De meeste inbrekers die de politie pakt, worden op heterdaad betrapt na een telefoontje van burgers. Zonde, vindt plaatsvervangend korpschef den Uyl, dat tegenwoordig maar een op de negen mensen belt als ze iets verdachts ziet of hoort. „Zo maken we het inbrekers wel erg makkelijk.”