Als Moslimbroeders verkiezingen winnen, dan moet dat maar

Voor de VS was het altijd kiezen tussen een autoritair seculier regime of vrije verkiezingen met de kans op een islamitisch bewind. In Egypte is het niet anders, stelt Ian Buruma.

In de jaren tachtig, toen het communistische bewind in Polen begon te wankelen, gaf de officiële woordvoerder van het regime, Jerzy Urban (die na 1989 uitgever van een pornotijdschrift werd), de volgende verklaring aan een buitenlandse journalist: „Het is óf wij de Partij, óf de Zwarte Madonna van Czestochowa.” Met andere woorden, de dominantie van de Rooms-Katholieke Kerk was volgens hem het enige alternatief voor het communisme.

Hetzelfde werd de laatste decennia eindeloos herhaald door dictators in het Midden-Oosten, en zeker door president Mubarak in Egypte: óf de seculiere politiestaat óf het islamisme, het is kiezen tussen Mubarak of de Moslimbroederschap. Westerse regeringen, zeker die van de VS, waren voldoende onder de indruk van deze waarschuwing om Mubarak en andere despoten rijk te voorzien van geld en wapens.

Dit schiep een dilemma voor mensen die zich opwierpen als bevorderaars van de democratie in de wereld, vooral diegenen die de islam zien als een bedreiging voor de democratie. Als het waar is wat Ayaan Hirsi Ali, om maar een voorbeeld te noemen, gelooft, namelijk dat het Westen „in oorlog is met de islam”, moeten we dan onze democratische principes laten varen als islamistische partijen een kans maken om verkiezingen te winnen?

Dat was inderdaad de positie van de Franse regering in 1991, toen het Islamitisch Bevrijdingsfront (FIS) de eerste ronde van de verkiezingen won in Algerije. Er volgde een militaire coup, die door Frankrijk werd gesteund. Het was ook het beleid van de VS, nadat Hamas de Palestijnse verkiezingen won in 2006, verkiezingen die de VS nota bene min of meer hadden opgedrongen. Hamas werd door de VS niet erkend (‘Met Hamas wordt niet onderhandeld’). Jarenlang heeft Washington de dictators in het Midden-Oosten en Centraal-Azië de hand boven het hoofd gehouden, omdat het alternatief erger zou zijn.

Het was natuurlijk geen eenvoudige keuze, maar hieruit ontstond een tweede dilemma. Onderdrukking leidt zelden tot gematigdheid. Hoe harder religieuze partijen in seculiere politiestaten onder de duim worden gehouden (de Syrische dictator Hafez al-Assad deinsde er niet voor terug om in 1980 bijna 40.000 Moslimbroeders te vermoorden), hoe radicaler hun denkbeelden worden. Niemand weet wat Osama bin Laden precies bezielt, maar de onderdrukking en corruptie in landen als Egypte, Saoedi-Arabië en Algerije maakte het zeker eenvoudiger om rekruten te winnen voor zijn massamoord.

Religieuze politiek, of politiek die voortkomt uit geloofsprincipes, leidt niet noodzakelijk tot geweld, ook niet onder moslims. En moslims zijn ook niet de enigen die zich in naam van hun geloof verzetten tegen seculiere onderdrukkers. Jerzy Urban had in zoverre gelijk dat de Katholieke Kerk een belangrijke rol speelde in het verzet tegen het communisme in Polen. Hetzelfde geldt voor boeddhisten in Birma die zich tegen de militaire junta hebben gekeerd. Religies zijn goed in staat mensen te mobiliseren tegen corrupte autocraten. Revoluties zijn immers vaak niet alleen politiek, maar ook moreel.

Het is natuurlijk ook waar dat als religieuze organisaties de politieke macht overnemen, er geen sprake meer kan zijn van democratie, laat staan liberale democratie. Religieuze autoriteit eist gehoorzaamheid aan goddelijke macht, die per definitie niet openstaat voor tegenspraak. Toen ayatollah Khomeini en zijn volgelingen de revolutie in Iran kaapten, was er geen plaats meer voor liberale democratie; de geestelijke leider werd een politieke dictator.

Dit betekent niet dat politieke partijen met een religieuze inslag zich per se moeten keren tegen de democratie. Christen-democraten vormen geen bedreiging voor Europese democratieën. En de Turkse regeringspartij, de AKP, opgericht door islamisten, is op zichzelf ook niet ondemocratisch. Of de AKP ook liberaal, in de zin van vrijzinnig, kan worden genoemd, is een andere vraag.

Het is in ieder geval opvallend hoe weinig islamisten zoals de Moslimbroeders tot dusver te maken hebben gehad met de Arabische revoltes. Zij hebben zich in Egypte op de achtergrond gehouden, en waren in Tunesië, waar net als overigens in Egypte islamistische partijen verboden zijn, nauwelijks te zien. Er is geen religieuze leider die te vergelijken is met ayatollah Khomeini, en er is ook weinig sprake van extreme islamitische retoriek. Het is niet godsdienst waarom mensen de straat zijn opgegaan, maar economische frustratie, walging van de wijd verbreide corruptie en een algemeen gedeeld gevoel van vernedering na jarenlange oppressie.

Dergelijke sentimenten kunnen ook een drijfveer zijn voor religie, en zelfs mensen aanzetten tot geweld in naam van hun geloof. Zoiets is nog steeds denkbaar, vooral als de revoluties op niets uitlopen of leiden tot meer repressie. Maar zelfs in het beste geval, als er verkiezingen plaats zouden vinden, na interim-regeringen onder vaderlijke figuren als Mohamed ElBaradei, dan nog is het waarschijnlijk dat de islamisten hoog zullen scoren. Ondanks het verbod zijn de Moslimbroeders in Egypte een goed georganiseerde beweging.

Dit is zorgelijk, niet zozeer omdat de Broeders ondemocratisch zouden zijn, maar eerder anti-liberaal. Sommige autoritaire regimes geven bescherming aan minderheden en laten enige ruimte voor een zekere mate van persoonlijke vrijheid. De oude Donaumonarchie bijvoorbeeld. Dit is soms te verkiezen boven minder tolerante vormen van populisme, die misschien democratischer zijn, maar minder liberaal. Maar een liberaal autoritair regime lijkt onder de huidige omstandigheden in het Midden-Oosten onwaarschijnlijk. Verkiezingen, met alle risico’s van dien, zijn daarom een betere optie dan een nieuwe autoritaire orde, laat staan militair geweld.

Egypte is niet Iran of Algerije. We moeten dan ook voorzichtig zijn parallellen te trekken. Maar we hebben gezien wat er kan gebeuren als democratische verlangens de kop in worden gedrukt uit angst voor religieuze extremisten. In 1992 werden de islamisten, die de verkiezingen hadden gewonnen, met geweld neergesabeld. Nu waren veel van die islamisten misschien geen overtuigde democraten en ook zeker niet liberaal. Maar de burgeroorlog die hierop volgde en nog steeds niet helemaal is uitgewoed, leidde tot bijna 200.000 doden.

Tot nog toe zijn de demonstraties in Kairo, Alexandrië, Suez, en andere plaatsen vreedzaam geweest. Pas toen aanhangers van Mubarak met wapens demonstranten te lijf gingen, braken er gevechten uit. Het kan zijn dat de Moslimbroeders verkiezingen gaan winnen. Maar die keus moet aan de Egyptenaren worden overgelaten. Als hun die vrijheid weer niet wordt vergund, zou dat heel goed kunnen leiden tot een opleving van extreem islamisme waar men terecht zo bang voor is.

Ian Buruma is een Brits-Nederlands schrijver.