Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Milieu en natuur

Unieke kaart toont 16de-eeuws vogelparadijs

De vogels uit het ‘Zevenhuisense Bos’ werden met smaak gegeten, eeuwenlang, blijkt uit een bijzondere kaart.

Ooit lag bij het Zuid-Hollandse dorp Zevenhuizen het befaamde Zevenhuisense Bos, een overstelpend rijk vogelparadijs. Vogelwaarnemers uit de zeventiende en achttiende eeuw namen dichte wolken van aalscholvers, kwakken, reigers en zelfs lepelaars waar. Ze kwamen ervoor uit het buitenland. Dat daar, in de delta van de Rijn tussen Rotterdam en Gouda, ooit een oorspronkelijke wildernis was van veen en elzenbos is nauwelijks voorstelbaar. Rechte, strakke polders liggen er nu. Alleen het riviertje de Rotte en de Rottemeren herinneren aan de waterrijkdom van destijds. Voor wie coördinaten wil weten: Zevenhuizen ligt op 52.01 NB en 4.35 OL.

De afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam kwam kortgeleden in het bezit van een unieke handschriftkaart. Landmeter en notaris Jan Potter bracht in 1564 het Zevenhuisense Bos en de erbij behorende landerijen in beeld. Die kaart is verloren gegaan, maar een kopie in de tweede graad bleef behouden. Deze kaart werd in 1790 vervaardigd door Jan Sabrier, een landmeter uit Delft. De kaart heeft een opmerkelijke vorm: hij is meer dan een meter lang en zo’n dertig centimeter breed.

Volgens cartograaf Jan W.H. Werner van de Bijzondere Collecties is deze kaart een zeldzaamheid omdat hij thematisch is. „Het is een ongebruikelijk document gezien het thema, een voormalig vogelparadijs. In deze kaart komen ornithologie, landmeetkunde, culinaire genoegens en zelfs een adellijk vermaak als de valkerij samen”, aldus Werner. Gezien de accuratesse van landmeters van vroeger acht Werner deze kaart zeer getrouw aan de situatie van 1564.

De picturale kaart toont, aan de rechterkant, fraai de huizen van Zevenhuizen, gelegen aan de lijnrechte hoofdweg en het ridderlijke landgoed Hofstad van der Duijn. Vanaf de weg lopen in zuidwestelijke richting smalle kavels. Drie van die kavels zijn gewijd aan watervogels: de reiger, de kwak en de lepelaar. Twee stroken land zijn bestemd voor de culinaire grootmeester van het landgoed en het dorp, de „Casteleyn”. Al deze vogels dienden de bevolking van Zevenhuizen tot aan Rotterdam voor voeding. De eieren werden gebruikt in de bakkerijen en soms ook gegeten. Jonge vogels kwamen op de markt van Rotterdam terecht, in sommige jaren vielen gerust tweeduizend kwakken ten prooi aan de hongerige volksmond. Het document De geschiedenis van Zevenhuizen (1971) meldt het volgende: „Op Hemelvaartsdag en dan tot Pinksteren werden de nesten van deze vogels geschud en de neergevallen vogels werden gevangen en verkocht. Bij deze schuddinge kwamen velen uit den lande, welke eerst met de kastelein moesten accorderen, om naar deze schuddinge te kijken. In 1357 werden 564 reigers en 2000 kwakken verkocht. Koning Jacobus I van Engeland kocht telkenjare twee schepen vol met vogels.” Datzelfde document vertelt over herbergen in Zevenhuizen met illustere namen als Ké de Borrel, Griet Haak en de Vierkante Meter. Op de kaart zijn deze etablissementen niet bij naam genoemd, wel, schuin tegenover de kerk, de „pastoori”.

Hoewel de aalscholvers of schollevaars gezien werden als geduchte rovers van vis, werden ze niet verjaagd. Het woord schollevaar gaat terug naar een Helgolandse stam en betekent waterduiker. Een van de befaamdste Nederlandse ornithologen uit de achttiende eeuw, Cornelius Nozeman, schreef in zijn standaardwerk Nederlandsche Vogelen (1770): „Onuitsprekelyk zijn de slachtingen die door deeze roofvogelen onder onze visschen gemaekt worden.” Toch werden de vogels niet verjaagd, integendeel. In het moerasbos werden ze gekoesterd en geëxploiteerd wegens het vlees en de eieren.

Dat deze zo minutieus getekende kaart in 1790 opnieuw werd uitgegeven, schitterend gekleurd en geïllustreerd met bomen, huizen en waterpartijen, geeft aan dat watervogels tot ver in de achttiende eeuw van essentieel belang waren voor de voedselvoorziening. De eieren van aalscholvers werden destijds door broodbakkers veelvuldig gebruikt, want ze waren „in beschuit deugdelyker dan anderen”. Dat beschuit was natuurlijk scheepsbeschuit dat voor de zeelieden op de verre vaart naar Oost-Indië onontbeerlijk was. Het Zevenhuisense Bos bestaat niet meer, het is door vervening verdwenen. Maar ook is het door mensenhand kapotgemaakt, zoals zoveel moeraswildernissen in Nederland.

Het meest spectaculaire van de kaart uit 1790 is de uitzonderlijke orde en precisie ervan. De passer die onderaan staat afgebeeld, duidt aan hoe mathematisch landmeters en cartografen te werk gingen. Elke lijn is rechtgetrokken. De bomen staan in het gelid. Daar, in dit rechthoekig verdeelde moeras, broedden dus al die vogels, van lepelaar tot purperreiger, van kwak tot aalscholver.