Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Cultuur

Tegendraadse lessen in film van zeven Rotterdamse meesters

De veertigste editie van het International Film Festival Rotterdam (IFFR) genereert minder aandacht in de media dan tien of twintig jaar geleden gebruikelijk was. Het uitgangspunt of de filmprogrammering is niet drastisch gewijzigd, noch het aantal bezoekers. De verandering zit in de ontvankelijkheid van de media voor visueel radicalisme.

Zo om de dag besteedt de VPRO onder het motto RotterdamXL (Romeins voor 40, maar ook extra large) aandacht aan het festival. Die journaals verraden weinig cinefiele affiniteit, maar wel oog voor hippe Rotterdamse fenomenen en bandjes, die een stukje muziek mogen maken naar aanleiding van een film, waar we verder weinig over te weten komen.

Gisteren zond Het uur van de wolf (VPRO) de jubileumdocumentaire Tiger Eyes uit, die wel heel goed op een rijtje zet waar IFFR altijd over ging. Zeven vooraanstaande regisseurs, onder wie vier bezitters van een Gouden Palm, werden als stamgasten voorgedragen door ex-directeuren van het festival. Frank Scheffer, die talloze documentaires maakte over eigentijdse componisten, ontlokt het gezelschap vlijmscherpe analyses over wat film zou moeten zijn.

Elk van hen doet wel een of twee uitspraken, die ik met uitroeptekens erachter noteerde. Zo heb ik het, ook van hen, in de loop der jaren in Rotterdam geleerd. Maar wie daar niet filmisch opgevoed werd, zal die opvattingen, laat staan hun films, waaruit zinnig wordt geciteerd, niet meer vanzelf herkennen.

De Frans-Chileense Raoul Ruiz (69) vindt dat in film het beeld het verhaal moet bepalen, en niet andersom, zoals in de Angelsaksische filmcultuur. De Amerikaanse onafhankelijke filmer Jim Jarmusch (58) heeft Hollywood altijd gemeden, omdat hij vindt dat je geen films moet maken om het publiek te geven wat het wil.

Zulke ideeën klinken als vloeken in de kerk van het marktgerichte denken over film en kunst. De Oostenrijker Michael Haneke (68) zegt dat al zijn films gezien moeten worden als een vorm van verzet tegen de hoofdstroom. Zijn Funny Games werd ervaren als een gruwelijke bezoeking van het publiek. Maar hij stelt dat de meest brute film nog altijd aanzienlijk minder gevaarlijk is dan de permanente stompzinnigheid van de meeste televisiebeelden. Hij introduceert de term ‘volksverdomming’ en constateert dat de kunstzinnige film overal ter wereld marginaal is geworden.

De Duitser Wim Wenders (65), in 1972 een van de eerste gasten van het Rotterdamse festival, noemt filmen „een heilige daad”, omdat wat tijdens het draaien tot het heden behoort, bij vertoning een permanent verleden veroorzaakt. Dat klinkt, zoals wel vaker bij Wenders, wat gezwollen, maar ook hij heeft gelijk. Het is helemaal geen raar idee om in film een bijna sacraal verzet te zien tegen het voortschrijden van de tijd, en dus de dood.

De door Scheffers cameraman Melle van Essen in schitterend zwart-wit en extreme close-ups vastgelegde lessen in filmkunst, zouden een brede verbreiding verdienen. Maar wie maalt daar nog om, buiten het verzetsgetto?