Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

Onderwijs

Rendement? Neh, gewoon bezuinigen

De wet over langstudeerders ging gisteren naar de Kamer, slechts enigszins aangepast.

Instellingen betalen geen boete meer, maar moeten wel hetzelfde bedrag bezuinigen.

Een Malieveld vol studenten en een optocht van hoogleraren in toga hebben geen effect gehad. Gisteren heeft staatssecretaris Zijlstra (Onderwijs, VVD) zijn wet over het beboeten van langstudeerders naar de Tweede Kamer gestuurd. Als het parlement akkoord gaat, mogen studenten vanaf september één jaar uitlopen in de bachelorfase van hun studie en één jaar tijdens hun master. Wie er langer over doet, moet per jaar 3.000 euro extra collegegeld betalen.

Maar, wat zeer opvallend is: universiteiten en hogescholen zullen niet meer per instelling voor datzelfde bedrag worden afgerekend voor elke trage student die bij hen staat ingeschreven, zoals aanvankelijk de bedoeling was. Het kabinet zal echter wél de oorspronkelijk ingeboekte 190 miljoen euro per jaar inhouden op de rijksbijdrage voor de onderwijsinstellingen. Van wat gepresenteerd werd als prikkel om het studierendement te verbeteren, blijft bij de instellingen zo enkel nog een financiële korting over.

Tweede Kamerlid Jasper van Dijk van de SP zegt dat nu eindelijk duidelijk is dat het kabinetsplan voor de langstudeerders „een platte bezuiniging” is. „Zijlstra heeft eerst nog een mooi verhaaltje geprobeerd te verkopen om de ingreep bij de instellingen te rechtvaardigen, maar dat heeft hij nu laten varen.”

Kamerlid Anne-Wil Lucas van regeringspartij VVD ziet dat heel anders. „Ik vind het voorstel zoals het er nu ligt beter dan het oorspronkelijke plan. Voor die 60.000 langstudeerders betalen we gewoon niet meer. Zij hebben veel te lang over hun studie gedaan. Daarom is het goed dat dit bedrag nu in één keer uit de rijksbijdrage wordt gelicht.”

Maar het geld komt niet terug als de laatste langstudeerder verdwenen is, bekent Lucas. „We gaan later in deze kabinetsperiode heel gericht investeren in de kwaliteit van het hoger onderwijs. Daarvoor moeten we wel eerst middelen vrijmaken. Dat doen we op deze manier.”

Zijlstra heeft zijn wetsvoorstel aangepast na stevige kritiek van de Raad van State, het hoogste adviesorgaan van regering en parlement. De Raad schreef over het oorspronkelijk voorstel van het kabinet dat het gevaar bestond dat „de waarde van diploma’s zal devalueren”. Oftewel: dat universiteiten en hogescholen ertoe zouden kunnen overgaan diploma’s te geven aan studenten die dat niet verdienen, om zo de 3.000 euro boete te ontwijken. Zijlstra toonde zich gevoelig voor dat argument. Instellingen worden daarom straks niet meer gekort naar rato van het aantal trage studenten dat staat ingeschreven. Dat is gunstig voor universiteiten met veel van dit soort studenten, zoals technische universiteiten, maar ongunstig voor instellingen die een relatief goed studierendement behalen.

De Raad van State was ook kritisch over het verhoogde collegegeld dat studenten moeten gaan betalen. „Onderzoek bevestigt keer op keer dat de beperking van de studieduur noch de bekorting en verlaging van de studiefinanciering of de verhoging van het collegegeld heeft geleid tot de beoogde hogere rendementen.”

Deze constatering legt het kabinet naast zich neer. Volgens Zijlstra zal de dreiging van een verhoogd collegegeld wel degelijk leiden tot sneller studerende studenten. De reacties van de studentenorganisaties laten zich raden. Voorzitter Guy Hendricks van het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) zegt na lezing van het advies van de Raad van State dat het kabinet „tegen beter weten in doorzet”. En Sander Breur, voorzitter van studentenbond LSVb, stelt: „Eindelijk wordt duidelijk wat dit kabinet echt wil en doet: bezuinigen op hoger onderwijs.”

Wat de studenten bijzonder steekt, is dat het kabinet geen overgangsregeling creëert voor trage studenten die nu al staan ingeschreven, zoals de Raad van State adviseert. Hen vanaf september een collegegeld van 5.000 euro laten betalen is het „veranderen van de spelregel tijdens de wedstrijd”, vinden ISO en LSVb. Zijlstra negeert echter ook dit bezwaar, omdat hij anders zijn bezuinigingsdoelstelling niet haalt. Hij noemt de mogelijke gevolgen „hard, maar niet onaanvaardbaar”. De toegankelijkheid van het hoger onderwijs komt niet in gevaar, zegt hij, omdat studenten tegen een laag tarief kunnen lenen om het verhoogde collegegeld te betalen.

Wat Hendricks van het ISO betreft is de strijd nog niet gestreden. Vanwege de kritiek van de Raad van State heeft hij zijn hoop gevestigd op de Eerste Kamer, die moet toezien op de kwaliteit van wetgeving. „We verwachten dat de senaat de wet zeer kritisch bekijkt. We vertrouwen erop dat de leden over hun partijkleur heen stappen indien zij dit nodig achten.”