Onrust over olie tempert groei

De onrust in Egypte leidt tot een prijsstijging van olie boven de grens van 100 dollar. Wat zijn de gevolgen voor de Nederlandse economie van een 20 procent hogere olieprijs?

De Yom Kippoer oorlog in 1973. De Iraanse revolutie in 1979. De Iraakse inval in Koeweit 1990. „Het Midden-Oosten heeft al drie keer eerder de economie in een wereldrecessie gestort”, twitterde hoogleraar economie Nouriel Roubini. Een paar jaar geleden voorspelde de populaire webpublicist de internationale kredietcrisis. Roubini wijst erop dat tweederde van de oliereserves en de helft van de gasreserve in het Midden-Oosten liggen. De onrust in Egypte leidt al tot een prijsstijging van olie – de prijs van een vat ruwe Noordzee-olie steeg deze week voor het eerst sinds twee jaar boven de grens van 100 dollar.

Het Centraal Planbureau heeft in de economische prognoses voor dit jaar rekening gehouden met een prijs van 84 dollar per vat. De olieprijs ligt op dit moment bijna twintig procent hoger en dat heeft volgens het planbureau „wereldwijd negatieve consequenties” voor de economische ontwikkeling en de inflatie.

De prijs van het Nederlandse aardgas is gekoppeld aan de prijs van olie, dus een hogere olieprijs leidt tot meer inkomsten voor de schatkist. Door de hogere gasbaten komt het zogenoemde EMU-saldo (het saldo van Rijk, lokale overheden en sociale fondsen) 0,3 procentpunt gunstiger uit.

De stijgende olie- en gasprijzen jagen de inflatie op. Het eerste jaar leidt dat tot 0,8 procent extra inflatie na vijf jaar is het effect opgelopen tot 3,7 procent. De OESO meldde gisteren dat de inflatie in de geïndustrialiseerde landen in december verder is opgelopen, en wel met 0,3 procentpunt tot 2,1 procent. De club van geïndustrialiseerde landen benadrukte dat hogere energieprijzen (bijna 9 procent op jaarbasis) verantwoordelijk zijn voor de bulk van de stijging.

Wanneer de olieprijs zich handhaaft op het hogere niveau, zullen centrale bankiers zich genoodzaakt zien om de rente te verhogen in een poging de oplopende inflatie te beteugelen. Het gevaar daarvan is dat het prille economische herstel in de kiem wordt gesmoord. In de berekening van het CPB stijgt de lange rente het eerste jaar met 0,7 procentpunt en na vijf jaar bedraagt het effect nog 0,3 procentpunt.

De hogere olieprijs heeft direct een negatief effect op de economische groei, maar het CPB constateert dat dit effect niet „desastreus” is. Op de middellange termijn komt de groei van het bruto binnenlands product – de maatstaf voor economische groei – 0,3 procentpunt lager uit. De consumptie neemt af door de geringere koopkracht. Dit effect wordt versterkt door de minder gunstige ontwikkeling van de werkgelegenheid, gemeten in arbeidsjaren daalt de werkgelegenheid met 0,1 procentpunt. Het verloop van de investeringen is ook minder gunstig door de lagere productie en winstgevendheid en de hogere rente.

De effecten van een ‘20 procents olieprijsstijging’ zijn voor Nederland beperkt, signaleert ook analist Francisco Blanch van Bank of America/Merrill Lynch. In Europa zijn vooral voor Ierland, Portugal en Griekenland de risico’s groot, constateert hij in zijn rapport How high could oil go?. Voor landen die hun overheidsschulden saneren zijn, komt de hoge olieprijs hard aan. Blijft de prijs langdurig boven de 100 dollar per vat, dan is de kans op een recessie in deze landen „niet gering”, aldus Blanch. Ook energie-intensieve olie-importeurs als Turkije, Zuid-Korea en India komen dan in de problemen komen. Vanaf een prijs van 120 dollar per vat verwacht Blanch „grote economische problemen” voor Duitsland, Japan en China. Vooralsnog gaat de analist uit van een prijs van 100 dollar per vat.