Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politiek

Kamerleden zijn wetgevende sloddervossen

Het grote publiek realiseert zich amper dat de Tweede Kamer mede-wetgever is. Wanneer een kabinet, politiek-ideologisch gedreven, iets wil regelen of veranderen (en kabinetten willen dat), dient het een wetsvoorstel in bij de Kamer. Meestal is dat een onleesbare brij wijzigingen in artikelen van reeds bestaande wetten plus een juridisch listig geformuleerde toelichting. Kamerleden stellen daar dan schriftelijk vragen over, die het kabinet beantwoordt, de Raad van State kijkt ernaar en geeft advies, dan gaat het hele rondje nog eens over en eerst dan volgt een plenair debat. Ook dan pas neemt de journalistiek eventueel een kijkje. En alleen als er tastbare politieke ruzie is, wordt de lezer of kijker geïnformeerd. Het hele proces duurt ten minste tweeënhalf jaar, maar kan ook zomaar meer dan een decennium vergen. Voor doorsneeburgers zijn die wetten beslist niet van belang ontbloot, ook al horen ze er niets van omdat het proces voor de pers niet sexy genoeg is of te veel intellectuele inzet vereist.

Om dat gebrek aan persaandacht, althans dat vermoed ik, zijn ook Kamerleden zelf de afgelopen twintig jaar stukken losser over hun rol in het wetgevingsproces gaan denken. Voor sommige partijen is de Kamer vooral een electoraal platform: de plek om bij debatten die veel aandacht trekken met de hardste kreten de meeste tv-zendtijd binnen te harken. De wetgevende arbeid wil hier nog weleens onder lijden. Wetgevingsjuristen wijzen er met de regelmaat van de klok op dat de Tweede Kamer op dit front z’n werk beter moet doen. Ook in de Eerste Kamer is het gezucht en gesteun hieromtrent niet van de lucht.

Al heel kort na mijn beëdiging werd ik met dit fenomeen geconfronteerd, toen bij een wet die valse concurrentie door de lokale overheid met het bedrijfsleven wilde tegengaan, CDA en PvdA een amendement (wijzigingsvoorstel) indienden. De formele toelichting luidde ijskoud dat de wijziging de bedoeling had om een gemeente het instrument in handen te geven om de wet ‘facultatief te kunnen verklaren’. Toen dat wat al te grof leek, werd de toelichting gewijzigd in een handig leuterverhaal, maar de feitelijke wetswijziging bleef staan, zodat vandaag inderdaad een gemeente zelf kan bepalen of een landelijke wet wordt toegepast of niet.

En hoewel Kamervoorzitter Gerdi Verbeet het voorbeeld een paar keer in het openbaar heeft aangehaald om aan te geven hoe slordig en onheus wetgeving tot stand komt, heeft deze gekroonde waanzin toch werkelijk het Staatsblad gehaald. Met, op mijn voorstel, de tegenstem van de VVD.

Kamerleden zouden het beneden hun waardigheid én de stand van het instituut dat ze vertegenwoordigen moeten achten om amendementen in te dienen die dwars ingaan tegen de ziel, de geest en de bedoeling van een wet. Vorige week is het nog net goed afgelopen, toen Onderwijsminister Van Bijsterveldt (CDA) het lef had om een D66-wijzigingsvoorstel ‘ongrondwettelijk’ te noemen – en erbij te vertellen dat ze de hele wet zou intrekken als het amendement zou worden aangenomen. (Het betrof een zeer bijzondere constructie voor een samenwerking bij hoge uitzondering tussen openbaar en bijzonder onderwijs, die zeventien jaar overleg én een grondwetswijziging vergde; zie mijn site voor meer inhoudelijke informatie.)

Een ferme minister met een flink standpunt is meegenomen, maar Kamerleden zouden zelf niet van die legislatieve sloddervossen moeten willen zijn. De Kamer heeft het recht om een voorgestelde wijziging ‘destructief’ te verklaren als deze een wet de facto onderuit haalt. Van dat recht zou de Kamer veel meer gebruik moeten maken. Maar wat is de praktijk, toen ik voorstelde dat in dit onderwijsgeval te doen? Op Twitter tettert de indiener van het amendement dat sprake is van een „spreekverbod” – een bewuste, demagogische verdraaiing van feiten. Voorlichters gooien er nog wat extra tweets tegenaan en de beeldvorming is gezet. „In de Kamer moet je alles kunnen zeggen en niet iets verbieden.”

Klinkt goed. Met fatsoenlijke wetgeving heeft het evenwel geen zier te maken. Maar zelfs dát interesseert een Kamermeerderheid niet. Zorgelijk.

Ton Elias is Tweede Kamerlid namens de VVD. Beurtelings met Jolande Sap (GroenLinks) en Martin Bosma (PVV) schrijft hij deze wisselcolumn.