Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

Politiek

Het gaat er niet om of iets waar is, maar of het werkt

Elke woensdag een filosofisch dilemma naar aanleiding van de actualiteit.

Vandaag: mogen politici van mening veranderen? Of is dat kiezersbedrog?

U draait en u bent niet eerlijk. Het is ditkleine, venijnige zinnetje dat de Nederlandse politiek van de afgelopen vijf jaar heeft bepaald. Het was het eerste lijsttrekkersdebat van de verkiezingen in 2006 en Jan Peter Balkenende, destijds lijsttrekker van het CDA, verweet de PvdA-leider Wouter Bos dat hij van mening was veranderd over ontslagrecht.Vanaf dat moment werd ‘Wouter Bos’ synoniem voor ‘draaikont’.

Balkenendes spin had grote consequenties: PvdA en CDA werden coalitiepartners, maar konden elkaars bloed wel drinken. Voortdurend wilde Bos benadrukken dat hij tijdens de onderhandelingen zijn standpunten had doorgedrukt, en dus niet draaide. Het gewraakte zinnetje lijkt zelfs een belangrijke reden te zijn geweest voor de val van het kabinet. Bos had immers eerder gezegd dat Nederlandse militairen in 2010 uit Afghanistan zouden vertrekken. Als hij toch zou instemmen met een verlenging van de missie zou het beeld van ‘draaikont’ opnieuw worden bevestigd. Ook bij de nieuwe kwestie over Nederlandse politietrainingen in Afghanistan zei de PvdA al bij voorbaat nee.

‘Draaien’ lijkt kortom het ergste wat een politicus kan doen. Maar mogen politici soms niet van mening veranderen? Natuurlijk wel. Politici worden nu eenmaal geacht onze meningen en opvattingen te verdedigen in de politieke arena. En, als er voor de verkiezingen onduidelijkheid is over wat een politicus eigenlijk bedoelt, of als een politicus die eenmaal aan de macht is zonder toelichting een volledig ander pad inslaat, komt de kiezer inderdaad bedrogen uit.

Maar het ligt het ingewikkelder. De samenleving verandert sneller dan er verkiezingsprogramma’s verschijnen. Toch moeten er voortdurend beslissingen worden genomen. Er komt steeds nieuwe informatie beschikbaar die tot nieuwe inzichten kan leiden. Wat de ene dag wijs lijkt, kan de volgende dag nu eenmaal onverstandig blijken. Bovendien opereren politici niet alleen, maar moeten ze samenwerken met andere politici, die weer andere opvattingen hebben over hoe maatschappelijke problemen het beste kunnen worden aangepakt. Er zullen compromissen moeten worden gezocht. ‘Draaien’, of eleganter gezegd, veranderen en bijschaven van de eigen opvattingen, is dus noodzakelijke, dagelijkse kost voor politici.

Een filosofische stroming die precies de nadruk legt op dit veranderen en bijschaven van de eigen opvattingen, is het pragmatisme. Het pragmatisme is in de negentiende eeuw in de Verenigde Staten ontstaan en ademt de pioniersgeest van die tijd: weg met de oude dogma’s, tijd voor een open blik. Pragmatisten hadden kritiek op de academische filosofie uit Europa, die in die tijd werd gedomineerd door neokantiaanse discussies over de grondslagen van waarheid en werkelijkheid. Veel te abstract en losgezongen van concrete problemen, stelden zij.

Het gaat er niet om of iets waar is, maar of het werkt, vond de pragmatisch filosoof John Dewey (1859 – 1952). Zuivere posities bestaan volgens hem niet: beslissingen kunnen weliswaar geïnspireerd zijn door bepaalde idealen, maar die idealen moeten steeds weer worden getoetst aan de concrete situatie. De specifieke, historisch gegroeide situatie van dat moment bepaalt het uitgangspunt, niet een blauwdruk van een ideale samenleving in de toekomst. Er kan volgens pragmatisten dus nooit gemakkelijk naar ideologie worden verwezen om een beslissing te nemen.

In het essay The Moral Equivalent of War (1906) onderzoekt de pragmatisch filosoof William James (1842-1910) bijvoorbeeld de redenen om een oorlog te ondersteunen. Hij maakt eerst duidelijk dat hij voor vrede is, en dat hij weinig opheeft met militaristische oorlogsromantiek. Maar ook in het pacifistische kamp voelt hij zich niet thuis. Beide kampen blijven volgens hem hangen in emoties, in een gevoel dat het één, dan wel het ander moreel superieur is. Militarisme wordt vaak gekoppeld aan idealen als vaderlandsliefde en opoffering voor een hoger doel, die de bloedige werkelijkheid verdoezelen. Pacifisme leidt volgens hem echter vaak tot passiviteit, die de bestaande situatie niet beter of vrediger maakt, maar juist erger. Voor pragmatische filosofen telt niet het principe, maar het resultaat: hoe kan de huidige situatie worden verbeterd? Daarbij zal de gekozen oplossing doorgaans niet ideaal zijn, maar het ‘minst slecht’.

Voor een beredeneerde beslissing is in de eerste plaats kennis nodig. Want alleen op basis van juiste kennis kunnen beslissingen worden genomen. Journalist Joris Luyendijk heeft onlangs politici opgeroepen om open kaart te spelen over de motieven voor deelname aan een politietrainingsmissie in Afghanistan. Als het verbeteren van de internationale positie van Nederland een belangrijke reden is, zeg dat dan gewoon, vindt hij. Leg uit dat dit bijvoorbeeld gunstig kan zijn voor de Nederlandse economie, of wellicht voor een enkele politicus de kansen op een internationale carrière vergroot.

Een naïef idee, zo zei Felix Rottenberg in het televisieprogramma De Wereld Draait Door: „Zoiets zeg je niet. Dat is gewoon hoe politiek werkt.” Maar hoe ‘politiek’ werkt, ligt niet vast, zou Dewey zeggen. Waarom zouden politici niet zo transparant mogelijk kunnen zijn over hun motieven? ‘Achterkamertjespolitiek’ ligt al jaren onder vuur, en het succes van WikiLeaks laat zien dat dit soort zaken die vroeger achter de schermen bleven makkelijker in de openbaarheid komen. Als de huidige, historisch gegroeide manier van politiek bedrijven niet meer werkt, ga je op zoek naar andere manieren die beter werken. Het zou zo maar eens kunnen dat Luyendijks oproep tot meer openheid enorm aanslaat.

Ten tweede is het belangrijk dat politici bereid zijn hun opvattingen aan te passen en bij te schaven, als er nieuwe informatie beschikbaar is. Draaien moet geen dodelijk verwijt zijn, maar juist een geuzennaam. De bereidheid om een positie te herzien was volgens Dewey een belangrijke voorwaarde voor democratie. Waarom zou je nog overleggen als posities al zijn ingenomen? Zijn stelling is: democratie gaat altijd via een meerderheid van stemmen, maar democratie is meer dan slechts stemmen tellen. Want die meerderheid komt niet zomaar tot stand, er gaat discussie aan vooraf. Veranderen van mening is een bewijs van voortschrijdend inzicht en getuigt van weldenkendheid.

Terwijl de PvdA steeds verder verhardde in haar standpunt, zorgde GroenLinks opvallend genoeg voor de doorslaggevende steun aan deze missie – na lang onderhandelen, en nadat ingrijpende aanpassingen waren afgedwongen. Juist GroenLinks lijkt dus een partij te zijn die de kunst van het draaien beheerst. Bij het afscheid van Femke Halsema in december werd duidelijk wat een opvallende ontwikkeling de partij heeft doorgemaakt: van allegaartje van linkse partijen met hoogdravende idealen, bewoog de partij zich steeds meer naar het politieke midden. Altijd was Halsema bereid om haar standpunten bij te schaven en haar nieuwe inzichten toe te lichten. Al kon lang niet iedereen zich vinden in haar liberale koers.

Bij het partijcongres van GroenLinks aanstaande zaterdag zullen we zien of ook Jolande Sap in staat zal zijn om de keuze van de fractie te verdedigen tegenover de achterban. Maar pas als de politiemissie daadwerkelijk wordt uitgevoerd, kunnen we zien of het onderscheid tussen agenten en militairen, waar GroenLinks zo op aandrong, uitvoerbaar is en geen ‘Haagse, papieren, cosmetische werkelijkheid’, om met de PvdA’er Frans Timmermans te spreken.