Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politiek

Egypte hoeft geen Iran te worden

In Indonesië leidde de opstand in 1998 tot democratie. Dat kan ook in Egypte, meent Gideon Rachman.

Het heeft maar zes weken geduurd voordat de arrestatie van een groente- en fruitverkoper in Tunesië een keten van gebeurtenissen op gang bracht die nu de regering van Egypte omver dreigt te werpen. Het is spannend en aanstekelijk om te zien hoe de opstand tegen de autocratie zich over de Arabische wereld verspreidt – en ook zeer verontrustend voor de grote mogendheden, die elk op hun eigen manier sterk aan de status quo hechten.

Het onbehagen van de VS is duidelijk en leidt tot veelvuldig commentaar. Als enige supermacht ter wereld en voornaamste buitenlandse steunpilaar van president Hosni Mubarak, weten de VS aller ogen op zich gericht. Maar de onrust in Egypte zal ook een bron van zorg zijn voor de Europese en zelfs voor de Chinese leiders.

De Europeanen beseffen terdege dat hun vergrijzende continent door een smalle zee wordt gescheiden van een veel armere, veel jongere Noord-Afrikaanse en Arabische wereld. Handenwringend hebben ze de economische en politieke stagnatie in landen als Tunesië en Egypte gadegeslagen – terwijl ze nauw met de leiders van die landen samenwerkten in een poging alles, van terrorisme tot illegale immigratie, te bestrijden. Nu krimpen de Europeanen ineen bij de oude foto’s waarop hun leiders figuren als president Zine al-Abidine Ben Ali van Tunesië omarmen.

Op den duur zou de opkomst van meer dynamische en vrijere samenlevingen aan de overzijde van de Middellandse Zee een enorme impuls voor Europa kunnen zijn. Op korte termijn overheerst de angst voor sociale en politieke onrust.

Waarom zouden de Chinese leiders zich bekommeren om de gebeurtenissen in de straten van Kairo? Omdat de aanblik van betogers voor democratie die het Tahrirplein in Kairo bezetten onaangenaam herinnert aan de gebeurtenissen op het Tiananmenplein in 1989. Natuurlijk is de Chinese economie oneindig veel dynamischer dan die van het verkalkte Egypte. Maar de Egyptische opstand heeft ook enkele elementen die in Peking wel eens bekend konden klinken: de volkswoede tegen de corruptie, de ontwrichtende uitwerking van stijgende voedselprijzen, de jeugdwerkloosheid, het vermogen van internet om het volksprotest te mobiliseren, de kloof tussen een heersende elite en de bevolking die ze probeert te besturen.

Het is natuurlijk zeer onwaarschijnlijk dat de politieke besmetting die zich vanuit Tunesië naar Egypte heeft verspreid naar Azië zal overslaan. Maar de ideeënstrijd tussen democratie en autoritarisme verschuift weer eens.

Het is paradoxaal dat de democratische bewegingen in de Arabische wereld juist zijn uitgebroken op het moment dat de autocratie weer in de mode leek te komen. Francis Fukuyama, wiens vermeende ‘einde van de geschiedenis’ het democratische triomfalisme van 1989 belichaamde, schreef laatst een artikel waarin hij het Chinese vermogen prees om „snel grote, complexe beslissingen te nemen en dit ook nog vrij goed te doen”, terwijl hij klaagde dat de Amerikaanse democratie „niet bepaald tot voorbeeld zal strekken als de regering intern verdeeld is en niet kan regeren”. Afgelopen maand verscheen ook het veelbesproken How The West Was Lost van Dambisa Moyo, die klaagt over de ‘economische dwaasheid’ van de westerse democratieën en de dynamiek van China roemt.

Tegen de achtergrond van de bredere discussie tussen democratie en autoritarisme zou de aanblik van betogers die in de straten van Kairo vrijheid eisen een enorme opsteker voor het Westen moeten zijn. De neoconservatieven die altijd hebben betoogd dat de Arabische wereld niet eeuwig een uitzondering op de mondiale verbreiding van de democratie kon blijven, komen misschien in de verleiding om hun gelijk op te eisen.

Maar de zaak ligt uiteraard ingewikkelder. Als de democratie naar Egypte komt, zal het niet achter op een Amerikaanse tank gebeuren – zoals in Irak werd geprobeerd. Integendeel, in Kairo zijn de Amerikaanse wapens vooral op de betogers gericht. De regering-Mubarak krijgt jaarlijks meer dan 1 miljard dollar aan militaire hulp van de VS. Vorig jaar bleek in een peiling van Pew Global Attitudes dat maar 17 procent van de Egyptenaren positief tegenover de VS stond en dat 82 procent Amerika ongunstig gezind was. Het was de laagste waardering voor Amerika in alle onderzochte landen. Deze cijfers doen vermoeden dat een democratisch Egypte wel eens veel vijandiger tegenover de VS zou kunnen staan.

Het vooruitzicht van hernieuwde onrust in het Midden-Oosten is ook wel het laatste waaraan president Barack Obama nu behoefte zal hebben, juist nu hij zich probeert te richten op de reactivering van de Amerikaanse economie en de historische uitdagingen die de opkomst van Azië met zich meebrengt. Terwijl China de laatste tien jaar vol gas heeft gegeven, hebben de VS levens, geld en aandacht aan het Midden-Oosten verspild. En nu worden de pogingen om zich op nieuwe uitdagingen te richten misschien toch weer gedwarsboomd door het uitbreken van een nieuwe crisis in het gebied.

De Amerikaanse gedachtevorming over het perspectief voor Egypte wordt natuurlijk geplaagd door de herinneringen aan de Iraanse revolutie. Progressieven in het Westen waren ingenomen met de val van de sjah in 1979 – tot ze zagen dat hij door iets nog ergers werd vervangen. Het enige bewind in het Midden-Oosten dat ondubbelzinnig blij zou zijn met de val van de regering-Mubarak, is de regering van Iran. Toch is Iran niet het enige voorbeeld van een geslaagde volksopstand in de islamitische wereld tegen een autocratie. Indonesië biedt een meer inspirerend alternatief. In 1998 werd het bewind van Soeharto – dat 32 jaar had geduurd – ten val gebracht. Inmiddels is Indonesië een goed functionerende en steeds welvarender democratie. Het kan dus wel.

De opstand in Egypte is ongetwijfeld een gevaarlijk moment. Maar het is ook de meest hoopvolle gebeurtenis in de Arabische wereld in tientallen jaren.

Gideon Rachman is commentator van de Financial Times.