Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Beeldende kunst

Bescheiden supervrienden

De ‘patronen’ van het Rijksmuseum schuiven aan bij het jaarlijkse Winterdiner. Ze schenken gul maar „een naambordje hoeft niet”.

In de Verenigde Staten is het heel gewoon, maar in Nederland is het nog altijd met schroom omgeven: particulier geld voor cultuur. Zowel de gevers als de vragers hebben het er liever niet over. Dat bleek gisteravond weer, op de avond die het Rijksmuseum organiseerde voor hun 240 ‘patronen’: de mensen die het museum begunstigen met ten minste 1.000 euro per jaar en zij die deelnemen aan een van de 35 fondsen op naam – fondsen met een basisbedrag van 50.000 euro. Wim Pijbes noemt hen „onze supervrienden”.

Gisteravond werden zij ontvangen in het depot van het museum in de polder, waar 300.000 kunstwerken zijn opgeslagen, om hen te bedanken. Maar ook om extra geld te vragen, voor de restauratie van de Beuningkamer – een stijlkamer uit 1748, gemaakt voor koopman Matthias Beuning.

In het depot lopen telgen van bekende families die niet met hun naam in de krant willen. Menno Witteveen maakt dat niet uit, maar de ondernemer zegt niet hoeveel hij schenkt. Hij heeft in 2003 het Huizingafonds voor geschiedenis opgericht, omdat historicus Johan Huizinga ook vond dat in het Rijksmuseum zowel kunst als geschiedenis een plek moet hebben. Uit dat fonds werd onlangs de aanschaf van een Fokker-vliegtuigstoel betaald. Witteveen geeft „omdat dit hét museum voor kunst en geschiedenis is’’. Maar aan een naambordje heeft hij geen behoefte.

Zijn bescheidenheid is typerend voor de Nederlandse schenker. Andersom is er ook bij het museum nog terughoudendheid om direct geld te vragen. Het is de eerste keer dat in de uitnodigingsbrief voor het jaarlijkse Winterdiner van de patronen extra geld wordt gevraagd. Voor de restauratie van de Beuningkamer is 200.000 euro nodig, onder andere om het stucplafond, de marmeren schouw en het wollen damast voor de muren te maken. „De eerste € 30.000 is vanuit de Patronenbijdrage gedoneerd”, staat in de brief. „Er is echter meer geld nodig om de Beuningkamer in optimale vorm aan het publiek te kunnen tonen.”

Presentator Albert Verlinde vraagt tussen hoofdgerecht en dessert om bijdrages. „Fijn, dat jij iets doet waar wij niet zo goed in zijn’’, kondigt Marilène van Oranje hem aan. Van Oranje is hoofd van de Vrienden van het Rijksmuseum. Verlinde verzekert de aanwezigen dat geven niet verplicht is. „Dit is een dankdiner. Maar wat zou het mooi zijn als we vanavond een extra duw kunnen geven aan de Beuningkamer.”

Om de benodigde 200.000 bij elkaar te krijgen, kunnen de patronen een puzzelstukjes kopen à 1.000 euro. In korte tijd is zo’n driekwart van het bedrag geschonken. Op het eind van de avond maakt een anonieme schenker bekend dat hij het resterende bedrag betaalt. De Beuningkamer heet vanaf nu ‘patronenkamer’ en wordt één van de twee achttiende-eeuwse stijlkamers die straks in het museum te zien zullen zijn.

Particulier geld wordt steeds belangrijker voor het Rijksmuseum, naast inkomsten van het Rijk, de Postcodeloterij en sponsors als ING en Philips. 1.400 vrienden heeft het museum inmiddels. Behalve de patronen zijn er schutters, die jaarlijks 75 euro betalen, en vaandeldragers die 250 euro per jaar schenken. Volgens Marilène van Oranje is de potentie van het vriendenbestand 5 à 6.000. „Zeker als het museum straks heropend is.”

Op de parkeerplaats naast het depot staan Audi’s met chauffeur, Alfa Romeo’s, Chevrolets en een enkele Twingo. Marilène van Oranje omschrijft de patronen als „hoger opgeleid, welgesteld, kunstminnend, empty nesters”. De laatste jaren is de groep uitgebreid met veertigers „onder wie veel succesvolle ondernemers”. 70 procent komt uit Amsterdam en omstreken.

Zo’n Amsterdamse veertiger, uit de financiële wereld, schuift aan, aan een van de tafels die klaarstaan voor het diner. Hij wil niet met zijn naam in de krant omdat „een schenker zijn naam niet aan de grote klok moet hangen”. Hij was vanaf het begin patroon en begon een jaar geleden met zijn familie een fonds, nadat hij een restauratieproject had bezocht. „De rillingen lopen over je rug als je zo’n Vermeer zonder lijst ziet.’’ Hij is ook vriend van Museum Beelden aan Zee, en van „levende musea” Hortus en Artis. Een museum als het Mauritshuis in Den Haag vindt hij minder interessant want beperkter in zijn collectie. Het bevalt hem dat de vriendenkring van het museum diverser is dan bijvoorbeeld de donateurs van het Concertgebouw. „Daar kom ik altijd dezelfde mensen tegen.’’

De avond is betaald door sponsors als ING, champagnehuis Ruinart en cateraar Food Fantasies. De bijeenkomst begint met een rondleiding onder leiding van suppoosten langs de rijen stellages met kasten, schilderijen, beelden, glaswerk. Bij een eikenhouten kast, beplakt met ebbenhout en ivoor, legt conservator Paul van Duin uit dat deze zal komen te staan op de afdeling zeventiende eeuw, in de buurt van vroege Rembrandts. „Is-ie koloniaals”, informeert een mevrouw. Nee, de kast is Nederlands. Van Duin laat nog snel een geheime lade zien en dan klinkt de bel om naar de volgende conservator te gaan, bij een negentiende-eeuws Italiaans beeld van David, dat jarenlang onopgemerkt in de gangen van de Tweede Kamer heeft gestaan.

„Fantastisch”, vindt kno-arts Frans Disch. „Dit wordt hier allemaal zo goed bewaard, door mensen die duidelijk liefde hebben voor hun vak.” Hij en zijn vrouw Bineke, kunsthistoricus, bezoeken lezingen, openingen van tentoonstellingen en het jaarlijkse patronendiner. Ze werden patroon, omdat je dan „iets prettigs doet”. Ze doneren 5.000 euro voor vijf jaar in de vorm van een lijfrente.

Patroon Sylvia Willink vertelt bij het nagerecht dat ze blij is dat ze zojuist in het depot weer even het schilderij De Johannes van haar overleden echtgenoot Carel Willink heeft kunnen zien. „Het werd speciaal voor mij tevoorschijn gehaald.” Zij heeft het Sylvia en Carel Willink-fonds opgericht dat moet bijdragen aan de internationale bekendheid van de schilder. Ook heeft ze schetsboeken van Willink en de helft van De Johannes, een zelfportret uit 1937, aan het museum gegeven. Waarom ze het Rijksmuseum steunt? „Andere musea kunnen weleens arrogant zijn. Dit is een aardig museum met aardige mensen.”

Rectificaties / gerectificeerd

Correcties & aanvullingen

In het artikel Bescheiden supervrienden (2 februari, pagina 2) staat dat het Rijksmuseum geld krijgt van de Postcodeloterij. Het komt van de Bankgiro Loterij.