VS kunnen grote vriend niet zomaar laten vallen

Nieuwsanalyse

Als Obama te makkelijk een bondgenoot als Mubarak laat vallen, kan dat het aanzien van de VS bij andere partners schaden.

De massaprotesten in Egypte hebben de Amerikaanse regering is een uiterst lastige positie gebracht. Net als iedereen was Washington overvallen door de gebeurtenissen, door de omvang van de protesten en de snelheid waarmee ze president Mubarak aan het wankelen brachten. Maar dat is niet de enige oorzaak van de trage, afwachtende reactie van de regering-Obama.

Al dertig jaar is president Mubarak een cruciale bondgenoot van de Verenigde Staten in het Midden-Oosten. Egypte is een van de twee Arabische landen die een vredesverdrag met Israël hebben (het andere is Jordanië) en Mubarak heeft achtereenvolgende Amerikaanse presidenten geholpen bij hun moeizame pogingen resultaat te boeken in het vredesproces. Niet voor niets ontvangt zijn land elk jaar 1,5 miljard dollar aan Amerikaanse hulp: Mubarak en zijn land zijn steeds van vitaal belang geweest voor Washington.

Als je zo’n strategische bondgenoot te snel laat vallen zullen andere bondgenoten zich gaan afvragen wat hún band met Amerika eigenlijk waard is als ze zelf eens in moeilijkheden mochten komen. Dat geldt voor bevriende leiders in de regio (zoals de koningen van Saoedi-Arabië en Jordanië en de heersers in de Golfstaten), maar ook voor vrienden van Amerika elders in de wereld.

Daarnaast is het perspectief dat Mubarak door ‘de straat’ tot opstappen wordt gedwongen een nachtmerrie voor Amerika’s belangrijkste bondgenoot in de regio, Israël. Daar heeft Obama ook rekening mee te houden, al was het maar omdat de stemming in Israël grote invloed heeft op de stemming in het Amerikaanse Congres.

Israël vreest dat een machtsvacuüm in Egypte de Moslimbroederschap aan de macht kan brengen. Die vrees sluit aan bij de angst in Amerika dat zich herhaalt wat zich in 1979 in Iran afspeelde: de Iraanse revolutie maakte niet alleen een einde aan het bewind v an een trouwe bondgenoot, de sjah, maar bracht het vijandige regime van ayatollah Khomeiny daarvoor in de plaats.

De Israëlische president Shimon Peres zei gisteren dat weliswaar niet alles wat Mubarak heeft gedaan in de haak was, „maar voor één ding zijn we hem allemaal dankbaar: hij heeft de vrede in het Midden-Oosten bewaard.” Verschillende Israëlische columnisten gaan een stap verder en vallen de regering-Obama al hard aan, omdat Washington sinds dit weekeinde aandringt op een „ordelijke overgang” in Egypte (overigens zonder daarbij te zeggen of dat betekent Mubarak moet aftreden). Dit zou ‘een kogel in de rug’ zijn, volgens een commentator in de rechtse krant Ma’ariv.

Hoe kan Washington zo naïef zijn om de menigte in de straten van Egypte op te zwepen, vroeg deze auteur zich af, en „het hoofd te eisen van iemand die vijf minuten geleden nog een moedig bondgenoot van de president was... een van de weinige stemmen van het gezond verstand in het Midden-Oosten?” De Amerikaanse regering zou zich laten leiden door „politiek correcte diplomatie”.

Maar het zijn niet alleen politiek correcte, maar ook machtspolitieke argumenten die Washington er langzaamaan toe brengen enige afstand te nemen van Mubarak. Juist vanwege het strategische belang van Egypte kan Amerika het zich niet kan permitteren op het verkeerde paard te wedden.

Zolang niet voorspelbaar is hoe de situatie zich zal ontwikkelen, staat Obama voor een strategisch dilemma. De mogelijkheid bestaat nog altijd dat Mubarak de crisis overleeft, en daarom wil het Witte Huis de banden met hem niet doorsnijden. Maar tegelijk is ook de mogelijkheid reëel dat de demonstranten hun zin krijgen en de president weten te verdrijven. Als dát gebeurt wil Washington zich niet als laatste bij het nieuwe regime aansluiten.

Langzaam en behoedzaam zoekt de regering-Obama in deze complexe situatie haar weg. Vorige week nog weigerde vicepresident Biden Mubarak een dictator te noemen. Minister van Buitenlandse Zaken Clinton noemde de toestand in Egypte aanvankelijk nog stabiel. Maar dat valt niet meer vol te houden.

De vorige Amerikaanse regering wilde, desnoods gewapender hand, democratie naar het Midden-Oosten brengen. Maar Obama heeft duidelijk afstand genomen van die zogenoemde ‘freedom agenda’ van George W. Bush.

In juni 2009 probeerde Obama met zijn veelbesproken rede in Kairo de banden aan te halen met de moslims in de wereld, maar vooral de moslims in het Midden-Oosten. Over de democratische zendingsdrang van zijn voorganger zei hij toen: „Geen enkele regeringsvorm kan of moet door het ene land opgedrongen worden aan het andere”. Dat was een boodschap die bij de autocratische heersers in de regio in goede aarde viel – ook al voegde Obama eraan toe dat het niets afdeed aan zijn „toewijding aan regeringen die de wil van het volk weerspiegelen”.

Uit de via WikiLeaks bekend geworden diplomatieke post blijkt dat zijn regering binnenskamers bij Mubarak wel aandrong op democratische hervormingen. Maar in het openbaar maakte hij het hem niet lastig.

„Het blijft een uitdaging”, schreef de Amerikaanse ambassadeur in Egypte aan Washington, „hoe we onze veiligheidsbelangen in evenwicht kunnen brengen met onze pogingen democratie te bevorderen.”

Nu staat Washington voor de vraag of die twee kunnen samenvallen.