Ze was een goedlachse, maar naïeve vrouw

Op 45-jarige leeftijd is de Iraans-Nederlandse Zahra Bahrami zaterdag geëxecuteerd. Haar dochter verwijt Nederland te weinig hebben gedaan.

Het verhaal van Zahra Bahrami, volgens haar vrienden en familieleden een goedlachse maar naïeve vrouw, was er, tot zij in de cel belandde, één zoals dat van vele Iraniërs die naar het buitenland vertrokken.

Na een mislukt huwelijk met een man die haar te vrijgevochten vond, was Bahrami in 1994 naar Nederland gevlucht. Ze kwam terecht in Spijkenisse, leerde vloeiend Nederlands en studeerde Indiase muziek aan het conservatorium in Rotterdam. Nadat haar jongste dochter in 2000 zelfmoord pleegde, keerde ze voor het eerst terug naar Iran. Ze zou daarna nog regelmatig haar vaderland bezoeken.

Zahra Bahrami’s dochter Banafsheh Najebpour (26), die de naam heeft aangenomen van haar vader, hoorde maandenlang niets van haar moeder. Todat ze in april vorig jaar belde vanuit de Evin-gevangenis in Teheran. „Ik was enorm verbaasd”, vertelde de studente psychologie in een interview. „Zeker toen ik hoorde dat ze in een afdeling voor politieke gevangenen zat en aangeklaagd was wegens lidmaatschap van een gewapende oppositiebeweging en drugshandel. Mijn moeder is volledig onschuldig, maar makkelijk beïnvloedbaar. Ze is misbruikt.”

In de zomer van 2010 verschenen er berichten op websites van de Iraanse oppositie dat een Iraans-Nederlandse vrouw in Teheran in de gevangenis zou zitten. Het duurde tot eind augustus van dat jaar voordat het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken de identiteit van Bahrami, die haar naam in Nederland anders spelde, kon bevestigen.

Op 28 augustus volgde de eerste rechtszaak tegen Bahrami. Tijdens de gesloten sessie van revolutionaire rechtbank nummer 15, die het afgelopen jaar meer dan 10 politieke activisten ter dood heeft veroordeeld, hoorde Bahrami de aanklachten tegen haar aan.

Haar advocaat Nasrin Sotoudeh, een bekende activiste, riep de Nederlandse regering in de zomer al op om „alles te doen” om aandacht voor de zaak te krijgen. Ze zei dat stille diplomatie samen moest gaan met publieke acties van de Nederlandse regering. „De aanklacht van drugs en activisme is een zeer gevaarlijke. Ze is in levensgevaar”, zei Sotoudeh destijds. In september werd ze zelf gearresteerd. Ze is nu veroordeeld tot 11 jaar celstraf.

In het verleden waren Nederlandse diplomaten in Iran zeer succesvol bij het krijgen van strafvermindering voor de vier andere Iraanse Nederlanders die in Iran vastzitten. De bekendste zaak is die van Abdullah Al Mansouri, een mensenrechtenactivist uit Maastricht die president was van een afscheidingsbeweging die in Iran wordt beschuldigd van het plegen van diverse dodelijke bomaanslagen. In 2007 kreeg hij de doodstraf, maar die werd na uitgebreide Nederlandse druk omgezet in 30 jaar.

In de zaak-Bahrami bepleitte het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken stille diplomatie. Maar het is onduidelijk wat er precies is gebeurd, zo zeggen familieleden van Bahrami, voormalig minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot en Iraanse activisten.

Begin december klaagden Bahrami’s familieleden en hun nieuwe advocaat dat de Nederlandse regering „niets” deed voor hun cliënt. Nederlandse diplomaten waren niet op de hoogte van de rechtszaken tegen de vrouw, kwamen niet langs bij de rechtbank, en namen slechts sporadisch contact op met Najebpour, zegt ze.

Tegelijkertijd vond er eind november een belangrijk diplomatiek incident plaats tussen Iran en Nederland. De toenmalige Iraanse minister voor Buitenlandse Zaken, Manoucher Mottaki, was uitgenodigd door een afdeling van de Verenigde Naties om deel te nemen aan een conferentie in Den Haag over chemische wapens.

Toen de Iraanse delegatie vroeg of het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken kon garanderen dat de zakenjet van Mottaki brandstof zou krijgen in Nederland – dit vanwege Amerikaanse sancties – weigerde minister Rosenthal (Buitenlandse Zaken, VVD) dat te doen. De Iraanse diplomaten waren woest en zegden de reis af. Hiermee ging een kans voor Rosenthal om de zaak-Bahrami in persoon aan te kaarten bij een zeer hoge Iraniër verloren.

Toen Bahrami op 1 januari de doodstraf kreeg voor handel in drugs, had het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken direct met een noodplan moeten komen, zegt Bahrami’s dochter nu.

De Nederlandse ambassade huurde wel twee nieuwe advocaten in. Maar niet de advocaat die Bahrami wilde hebben. Volgens Mahmoud Alizadeh Tabatabi, een advocaat die tevens geestelijke is en zeer goede contacten heeft met Iraanse rechters, hebben Nederlandse diplomaten hem wel benaderd, maar niet ingehuurd. Hij durfde niet naar de ambassade te komen. Voor veel Iraniërs is dat een gevaarlijke plek, omdat ze dan kunnen worden beschuldigd van spionage.

Op 21 januari liet oud-minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot weten dat hij – nadat hij door familieleden van Bahrami was gevraagd – op persoonlijke titel contact heeft gezocht met de Iraanse ambassadeur. „Mijn aanpak is ‘altijd blijven praten’”, zei hij.

In de vroege ochtend van zaterdag 29 januari werd Bahrami uit haar cel gehaald en met dertien andere drugshandelaren opgehangen op de luchtplaats van de Evin-gevangenis. „Ik had nooit op Nederland moeten vertrouwen”, zegt haar dochter Banafseh. „Het anti-Iraanse beleid van de Nederlandse regering was belangrijker dan het leven van een Nederlandse staatsburger.”