Woest kolkende dans in Vertical Road

Vertical Road van Akram Khan Compny. Nog te zien in: Tilburg 1/2, Groningen 3/2. Inl: www.akramkhancompany.net ***

Veel beelden uit de nieuwe groepschoreografie Vertical Road van Akram Khan (Londen, 1974) zouden zo in een Japanse butoh-voorstelling passen. Alles is wit: de doeken die in ruime plooien om de lichamen van de dansers zijn gedrapeerd, het licht, het doorschijnende, melkwitte scherm van waarachter de centrale figuur, de fabuleuze Egyptische danser Salah el Brogy, zijn opwachting maakt, de massa’s stof die uit de kostuums opwolken. Gecombineerd suggereren deze elementen een onaardse plaats, een geestelijke ruimte, een hiernamaals.

Vertical Road heeft dan ook een uitgesproken spirituele intentie. Het stuk is Khans verhandeling over de weg naar boven die het mystiek aangelegde individu aflegt naar een transcendente staat van zijn. In de witte figuren en zijn engelen te herkennen. Dansende engelen; Vertical Road is in tegenstelling tot Khans vorige groepswerk bahok (2009) geen danstheater, maar ‘choreografische dans’, waarbij het om de passen en om de vorm gaat.

Daarmee keert Khan terug naar de bron. De Brits-Bengaalse danser, die als op zijn zevende aan zijn opleiding als kathakdanser begon, heeft het verbinden van beweging met ritme en ruimtelijke verhoudingen met de paplepel ingegoten gekregen. Kaash (2002) was zijn eerste ensemblewerk na een serie solo-kathakvoorstellingen, waarin hij de klassieke dans uit Noord-India in sommige choreografieën vermengde met invloeden uit de moderne westerse dans. „Contemporary kathak” noemde hij het zelf. Toen al was hij de lieveling van dans- en festivalprogrammeurs en nu staat zijn naam op de affiche bijna gelijk aan een uitverkochte zaal. Hij bundelt regelmatig de krachten met opvallende namen uit de muziek (Nitin Sawnhey), beeldende kunst (Anish Kapoor, Antony Gormley), literatuur (Hanif Kureishi), dans (Sidi Larbi Cherkaoui, Sylvie Guillem) en film (Juliette Binoche). Als veelbelovend kathakdanser werkte hij in zijn puberteit al samen met grootheden als Ravi Shankar en Peter Brook.

Ondanks gunstige voorwaarden – ook dit keer heeft Khans ‘vaste’ componist Sawnhey maatwerk geleverd met prachtige muziek, gelardeerd met huilende windvlagen – ontbreekt er toch vaak iets aan zijn groepswerk, dat meer dan zijn solovoorstellingen neigt naar gangbare hedendaagse dans. In elk geval mist het de kenmerkende, kristalheldere articulatie van de kathak en in Vertical Road lijkt Khans choreografische fantasie, juist waar het het gebruik van meerdere dansers betreft, wat beperkt. Niet dat de ensembles geen kwaliteiten hebben; als een woeste kolk razen ze over het toneel, de ‘ nieuweling’ El Brogy in de maalstroom meevoerend. Er zijn voldoende sfeerrijke beelden. Er doemen associaties met derwisjen op, die al rondwervelend nader tot god trachten te komen of van klapwiekende engelen.

Maar in de toepassing van het aloude groep-versus-individu principe toont Khan zich weinig origineel. Eigenlijk biedt Vertical Road, hoe oogstrelend ook, geen echte verrassing. Delen volgen elkaar op zonder sterke overgangen, waardoor mooie scènes als die waarin El Brogy op afstand en zonder aanraking een andere danser manipuleert te zeer het product van losse ideeën lijken.

De pure dans van Vertical Road is dus teleurstellend, net als Khans wat achterhaalde versie van danstheater in bahok dat was. Wie Khans oeuvre bekijkt, zal zien dat zijn solo- en duetvoorstellingen – het prachtige, ontroerende zero degrees (2005) met Sidi Larbi Cherkaoui bijvoorbeeld – het sterkst zijn. Daar, in een intieme en persoonlijke setting, ligt zijn grote kracht, vooral als de specifieke vorm en contour van de kathakdans zichtbaar blijven. Als het om grotere ensembles gaat, heeft Khan nog een weg te gaan.