Opstand en dilemma

De hevige protesten in Egypte zet niet alleen het autoritaire en repressieve bewind van president Mubarak onder druk. Het niet aflatende protest, dat zich tot nu toe door geen avondklok laat stuiten, plaatst ook de Verenigde Staten en Europa voor een dilemma. Dertig jaar coalitiepolitiek staat nu op het spel.

Het Westen weet zich daar geen raad mee en geeft daarvan opzichtig blijk. In Washington is de regering van president Obama sinds vrijdag bezig de steven te wenden. Minister Clinton van Buitenlandse Zaken heeft de militaire macht in Kairo gisteren opgeroepen tot een „ordelijke overgang” om „de economische en democratische noden” van het Egyptische volk te lenigen.

Europa zoekt ook nog naar een koers. Zaterdag gaven de drie belangrijkste regeringsleiders een wat verwarrende verklaring uit. „We erkennen de matigende rol die president vele jaren in het Midden-Oosten heeft gespeeld. We dringen er nu bij hem op aan dat hij dezelfde matiging aan de dag legt”, aldus kanselier Merkel, premier Cameron en president Sarkozy.

Vandaag kwamen de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU bijeen om deze dialectiek een draai te geven. In de woorden van de Oostenrijkse minister: Europa is bezorgd over de mogelijke opmars in Egypte van extremisten, want „dat willen we niet”.

Deze zorg is reëel. Tot nu toe lijkt het protest seculier politiek. Maar naarmate de chaos in Egypte voortduurt en een machtsoverdracht steeds minder ordelijk zal verlopen, nemen de kansen toe voor groepen die een radicaal nieuwe orde beloven in plaats van de oude orde die ook Europa altijd tegen beter weten in heeft beschermd. Want Europa heeft dichter bij huis ook ervaring met het soms dubbelzinnige proces dat volgt op de ondergang van een dictatuur. Dezer dagen wordt met weemoed herinnerd aan de glorieuze val van de Berlijnse Muur in 1989. Dat tien chaotische jaren later in Rusland de voormalige geheime dienstchef Poetin aan de macht kwam, komt helaas minder aan de orde.

Maar de kanttekening dat ook Europa nu ‘te laat te weinig’ doet, laat het dilemma onverlet dat een machtswisseling in Egypte kan leiden tot democratisering op nationaal peil en tot destabilisering op internationaal niveau. Het houden van vrije verkiezingen is op zichzelf geen garantie voor een vrije maatschappij die ook mensenrechten en minderheden eerbiedigt. Zeker niet in samenlevingen die door hun geschiedenis gefrustreerd zijn. Democratisering is echter wel een basisvoorwaarde.

Net als Amerika roept Europa in Egypte geen louter positieve emoties op. Het heeft geen zin dat te negeren. Maar Europa kan wel een eigen rol vervullen. Hoewel niemand weet welke kant de democratische gevoelens van de Egyptenaren opgaan, verdient hun ambitie steun. Als Europa zich vastklampt aan de nu gefnuikte realpolitik, verliest het sowieso recht van spreken.