Objectieve cijfers over criminaliteit zeggen niks over gevoelens van onveiligheid

De opvatting dat Nederland als geheel onveiliger wordt is in opmars. Maar de criminaliteit in objectieve zin daalt. De gevoelens van persoonlijke onveiligheid bij de burger nemen ook af. Objectieve cijfers zeggen dus niks over de beleving van (on)veiligheid. De beleving van veiligheid wordt bepaald door de dreiging die van sterk uitvergrote incidenten uitgaat. Die incidenten worden niet altijd door criminaliteit veroorzaakt. Dat blijkt uit het rapport Veiligheid en Vertrouwen van de Raad voor openbaar bestuur.
Het rapport, geschreven onder voorzitterschap van de Leidse hoogleraar veiligheid en recht Erwin Muller,  is hier te vinden. Deze gegevens zijn ontleend aan hoofdstuk 2 ‘Veiligheid nader beschouwd’. Met de veiligheid gaat het objectief goed. In 2008 voelde 20 procent van de inwoners zich persoonlijk “wel eens” onveilig. In 2005 was dat hoger, 27 procent. Over een terroristische aanslag maakt bijna niemand (1 procent) zich meer zorgen. In 2009 was 13 procent van de Nederlanders bezorgd in 2009 over veiligheid op straat, hetzelfde ten opzichte van 2008 en gehalveerd sinds 2005 (27%). Al eerder werden op dit blog, hier, cijfers gegeven over de dalende trends in criminaliteit in Nederland. Subjectieve gevoelens van onveiligheid worden echter versterkt door overlast en verloedering. Aan criminaliteitsstatistieken heeft de overheid dan ook weinig. Hoeveel inbraken of overvallen er worden gepleegd is een ´slechte voorspeller´ van de stemming bij de burger. Het rapport wijst er op dat de individuele prioriteiten van de burger ergens anders liggen dan die van het kabinet. Risicojongeren, veelplegers of radicalisering van jonge moslims - speerpunten van de overheid - ervaren burgers ”helemaal niet” als een belangrijke kwestie. Althans in hun eigen leven. De burger maakt zich vooral zorgen over de verkeersveiligheid (1), toenemende kosten voor de zorg (2) en de verhuftering in het verkeer (3). Op 4, 5 en 6 gaat het ook over zorg. En pas op 7 staat een eerste ‘typische’ veiligheidskwestie: veiligheidsvoorzieningen in openbare gelegenheden, zoals brandtrappen, nooduitgangen etc. Zorgen over risicojongeren staan bij de burgers op 27, over veelplegers op plaats 32, radicalisering van jonge moslims op plaats 12. (lees blz 27 en verder van het rapport)

Verder wordt het kabinet gewaarschuwd bij de burger geen illusies te wekken over de mate waarin het Nederland veiliger kan maken. Veiligheidsproblemen kunnen niet alleen door de overheid worden beheerst. Stoere taal bergt het risico van desillusie in zich. ´Politiek en bestuur, die zich in de wurggreep van de publieke perceptie en de media denken te bevinden, zoeken daarom een uitweg in symbolisch handelen. De burger op zijn beurt hoeft niet na te denken over zijn eigen verantwoordelijkheid en kan onweersproken boos zijn over situaties van onveiligheid. Zo houden bestuur en burger elkaar in een houdgreep.`

Volgens het rapport is de overheid geen oplossingsmachine. Meer toezicht, nieuwe procedures en bevoegdheden, de oprichting van een nationale politie, `voor gevoelens van onveiligheid biedt het geen soelaas´. Burgers moeten juist zelf hun verantwoordelijkheid nemen en met de politie en de gemeente samenwerken om problemen in de eigen wijken aan te pakken. Het ROB schrijft dat de problemen bij politie en justitie zo groot zijn dat er een radicale andere aanpak nodig is. De centrale overheid ‘kan niet meer zorgen’ voor veiligheid. De samenwerkingsproblemen binnen justitie zijn te hardnekkig gebleken - en over het functioneren van de politie is in Nederland ‘eigenlijk’ niemand enthousiast.

De oplossing moet ook niet komen van het strafrecht. Rechtshandhaving is ‘niet de primaire weg’ meer om de problemen van wanorde op te lossen. Het almaar stapelen van nieuwe bevoegdheden tast de legitimiteit van het overheidsoptreden aan. Het rapport slaat een harde toon aan jegens de overheid.  “Gezag en geloofwaardigheid zijn nodig, meer dan bevoegdheden en maatregelen”. De overheid moet ‘moreel leiderschap’ tonen. Het steeds benadrukken van onveiligheid en de noodzaak van  ‘harde maatregelen’ is niet productief. Het rapport beveelt juist een onkreukbare overheid aan die gezag en vertrouwen moet verdienen “op grond van gedrag en persoonlijke integriteit, het leven naar principes. Dat geldt voor publieke ambtsdragers, de burgemeester in het bijzonder, maar ook voor het ambtelijk apparaat en de uitvoerders in de veiligheidszorg.”

Dat betekent ook dat het openbaar bestuur meer aan zelfreflectie moet doen. En minder de burger moet willen opvoeden met termen als ‘beschavingsoffensief’, ‘aanpak hufterigheid’, ‘actief burgerschap’, ‘herstel van maatschappelijk vertrouwen’ of ‘normen en waarden’. Publieke hufterigheid heeft een tegenhanger ‘in institutionele hufterigheid’. De burger gaat pas weer meedoen als de overheid zich geloofwaardig en vertrouwenwekkend weet te gedragen. “De reputatie van de overheid is in het geding. Daarbij is het een misverstand om te geloven dat  voorbeeldgedrag en moreel leiderschap alleen maar te maken heeft met daadkracht, verbaal vermogen en stevige politieke opvattingen.”

De ROB adviseert alle belanghebbenden bij ‘veiligheid’ zich te matigen. Politici zouden hun aandrang om te scoren met stevige taal in toom moeten houden. Media dienen minder te dramatiseren. En de burger ‘moet zich niet mee laten slepen in het mediageweld’.  Als voorbeeld van een succesvolle gezamenlijke aanpak tussen burger en overheid noemt het rapport het project Escamp in Den Haag. Zie dit item van TV West.

[youtube]http://www.youtube.com/watch?v=PR3wLvbkkPo[/youtube]

Reageren? Nuanceren en argumenteren verplicht. Volledige naamsvermelding.