Nederland is niet democratisch

Lekenbestuur is de kern van democratie, zo stellen twee bestuurskundigen.

Maar in Nederland zijn laagopgeleiden slecht vertegenwoordigd.

Joris Luyendijk heeft zich in deze krant een paar keer opgewonden over een hoorzitting in de Tweede Kamer. Het ging over elektrische auto’s, een onderwerp dat Luyendijk in die tijd bezighield. En wat deden die Kamerleden? Uiterst domme vragen stellen. Luyendijk noemde hun onwetendheid ‘schaamteloos’ en sprak van een ‘bizarre en schokkende ervaring’.

De overtuiging dat Kamerleden dom zijn, leeft breed onder de elite van Nederland. Op feestjes in gearriveerde kringen is zelfs wel te horen dat Kamerleden een test zouden moeten ondergaan voor ze hun zetel mogen innemen. Natuurlijk, democratie is onomstreden, maar tegelijk blijken de gedachten van de antidemocraat Plato springlevend. Hoofdgedachte: het is vreemd dat burgers amateurisme dulden op het schip van staat; niet de passagiers moeten een schip besturen, maar professionele zeelui. Een dokter behoeft een jarenlange opleiding. Waarom een politicus dan niet?

Plato maakt dit punt in zijn werk Politeia, waarin hij zijn ideale staat schetst: een samenleving gebaseerd op verdienste geleid door koning-filosofen. In Diplomademocratie laten de bestuurskundigen Mark Bovens en Anchrit Wille met een boeiend, kraakhelder betoog zien dat deze Platoonse utopie, hoewel altijd gekwalificeerd als antidemocratisch, niet ver staat van de Nederlandse werkelijkheid: opleiding bepaalt ons wezen én onze plek in de maatschappij. Op een handvol profvoetballers, volkszangers en BN’ers na zijn laagopgeleiden de verliezers van de samenleving. Ze leven bijna zeven jaar korter dan academici, zijn vaker werkloos, krijgen eerder ontslag en vinden minder makkelijk een nieuwe baan. Sinds de ontzuiling gaan ze ook nauwelijks meer om met hoogopgeleiden. Bij 85 procent van de echtparen in ons land is er tegenwoordig sprake van nagenoeg hetzelfde opleidingsniveau. Conclusie: ‘Opleiding is de nieuwe maatschappelijke verzuiling’.

Dat zou allemaal niet zo erg zijn, leggen Bovens en Anchrit uit, als de verliezers van de samenleving politiek zijn vertegenwoordigd. Maar dat is niet zo. Overtuigend tonen ze aan dat Kamerleden juist steeds hoger opgeleid zijn, hoe stuitend dom Luyendijk ze ook vindt. En deze stijging is niet alleen te verklaren uit de algehele stijging van het onderwijspeil in Nederland. Jarenlang schommelde het percentage academici in de Kamer omstreeks de 40 à 50, nu omstreeks de 90. Met het vertrek van Remi Poppe bestaat zelfs de Kamerfractie van de socialistische SP uit louter hoogopgeleiden.

Bovens en Wille vinden dit principieel onjuist. ‘Lekenbestuur vormt de kern van de democratie. Elke burger heeft het recht om zich verkiesbaar te stellen, elke burger kan wethouder of minister worden, ongeacht zijn formele kwalificaties. Zo was het in Athene, de bakermat van de democratie, en zo staat het ook in artikel 4 van onze Grondwet.’ In een democratie bepalen de leken op voet van gelijkheid het reisdoel; kennis of niet. Daarna ‘is het aan de stuurlui (het kabinet) en de bemanning (de ambtenaren) om het schip van staat daar veilig heen te leiden’. Want democratie is geen technocratie, maar gaat ‘ook over strijd, over retoriek, symbolen en visies op het goede leven’.

Volgens de auteurs is het onverstandig om slechts te rekruteren uit een toplaag. Laagopgeleiden zien dat hun zorgen nauwelijks een rol spelen in de politiek, daar zijn ze slim genoeg voor. Ook de verschillende standpunten over immigratie, integratie en criminaliteit leggen de kloof bloot, die volgens Bovens en Wille medeverantwoordelijk is voor de opkomst van populistische partijen als de PVV. Opleiding is nu de beste indicator van maatschappelijke onvrede.

Opvallend genoeg is dit inzicht niet terug te vinden in twee recentelijk verschenen boeken van sociologen. In De onbeholpen samenleving zoeken auteurs Eveline Tonkens en Menno Hurenkamp naar de oorzaken van de maatschappelijke onvrede. Hun conclusie is dat burgers niet kwaadaardig of lui zijn, net zo min als de overheden waarmee die burgers in aanraking komen. Ze zijn onbeholpen. Het ideaal van vandaag is betrokkenheid, leggen ze uit, maar ‘het probleem is de onbeholpenheid waarmee burgers en overheden deze betrokkenheid vorm willen geven’.

Burgerschap is een ambacht, zeggen ze, en valt dus te leren. Vraag is wel: wie geeft er les? De auteurs antwoorden nergens expliciet, zoals deze sociologen, hoewel beiden ook columnist, in dit boek iedere gedachte graag omfloersen met talloze meer dan zeven lettergrepen tellende woorden die op -isering eindigen. Toch wordt het met elk hoofdstuk duidelijker: zijzelf, academische onderzoekers, geven les. Luister naar hen. Deze arrogantie brengt de ergste uitwassen van het maakbaarheidsdenken in herinnering. Volgens hen wordt de onbeholpen burger snel boos om het dan bij ‘schelden te laten’. De politiek werkt dit in de hand door te veel begrip, niet te weinig. Die gaat ‘door de knieën om naar het volk te luisteren’. Of erger, door de burger aan het roer te laten. Precies waar Bovens en Wille juist voor pleiten.

Mark Bovens en Anchrit Wille: Diploma-democratie. Bert Bakker, 174 blz. € 17,95

Menno Hurenkamp en Eveline Tonkens: De onbeholpen samenleving. Burgerschap aan het begin van de 21e eeuw. AUP & Nicis Institute, 207 blz. €34,50