Liberalen speelden grote rol op platteland

Het Achterhoekse Vorden staat bekend als het ‘acht kastelen dorp’. Een eeuw geleden bezaten de kasteelheren ongeveer de helft van alle grond in de gemeente. Tussen deze leden van de elite en de kleine boeren, middenstanders en landarbeiders gaapte een diepe sociale, economische en culturele kloof. Vorden zou, zo valt in veel geschiedenisboeken te lezen, een schoolvoorbeeld zijn geweest van een gemeente met een achterlijke landbouw en een geknechte boerenbevolking die zich niet tegen de machtige kasteelheren durfde te verzetten.

Piet van Cruyningen, verbonden aan Wageningen Universiteit, houdt in een fraaie en gedegen studie dit beeld tegen het licht. Hij stelt zich de vraag of de uitbreiding van het kiesrecht, de opkomst van politieke partijen en verzuiling en de groei van de coöperatieve beweging uiteindelijk ook zorgde voor een versterking van de machtspositie van de boeren. De kern van zijn onderzoek wordt gevormd door drie studies van dorpen waarvan hij de lokale situatie beschrijft: behalve Vorden, zijn ook Ede en Elst onder het vergrootglas gelegd.

Vorden was een gematigd protestantse gemeente in de Achterhoek. Zoals gebruikelijk op de zandgronden waren de boerenbedrijven er klein. Grootgrondbezit speelde er een belangrijke rol. In het orthodox-protestantse Ede, gelegen in het zuiden van de Veluwe, waren eveneens veel kleine intensieve boerenbedrijfjes, maar door het ontbreken van grootgrondbezit waren er weinig pachtboeren. Elst is een gemeente in het rivierengebied met over het algemeen grote landbouwbedrijven. Gedurende de door Van Cruyningen bestudeerde halve eeuw beheerste de tegenstelling katholiek - protestant hier het politieke en maatschappelijke leven.

Het gaat te ver om te beweren dat deze drie gemeenten representatief zijn voor achtereenvolgens de Achterhoek, de Veluwe en de Betuwe. Daarvoor speelden, zoals de auteur met gevoel voor detail overtuigend laat zien, lokale factoren een te grote rol.

Een van zijn opmerkelijke conclusies is dat de liberalen een doorslaggevende rol speelden bij de modernisering van het platteland. In Vorden waren het de sociaal-liberalen die de voortrekkers waren bij de doorbraak van de coöperatieve beweging. Een enkeling kon het verschil maken. Een voorbeeld daarvan is G.J. Bieleman, hoofdonderwijzer in Vorden. Hij was niet alleen voorzitter van de liberale kiesvereniging, bestuurslid van het lokale Nutsdepartement en secretaris van de plaatselijke afdeling van de (liberale) Geldersche Maatschappij van Landbouw, maar ook de oprichter van de coöperatieve stoomzuivelfabriek in Vorden. Ook in Ede en in Elst ging het initiatief voor oprichting van verenigingen meestal van de liberalen uit.

Als er tussen 1880 en 1930 al sprake was van ‘boerenemancipatie’, dan was deze niet het gevolg van invloeden die van bovenaf kwamen, maar juist van onderop. Uit de analyse van verkiezingsuitslagen blijkt dat de invoering van het algemeen kiesrecht een te verwaarlozen rol speelde bij de vorming of versterking van het ‘Groene Front’. Het enige effect dat Van Cruyningen signaleert is dat het aandeel van de grotere boeren (in de gemeenteraad of in Provinciale Staten) wat kleiner werd en dat van de kleine boeren en tuinders een beetje toenam. Maar het waren vooral de niet-agrarische middengroepen die de zetels innamen die de notabelen en grote boeren verloren. Na het lezen van dit boek ben ik geneigd om de vraag uit de titel met een ‘nee’ te beantwoorden: van een krachtig ‘Groen Front’ was in Gelderland voor 1930 nog geen sprake.