Klasjeneren - een bekend tijdverdrijf

In mijn schoonfamilie was een echtpaar vijftig jaar getrouwd – reden voor een feestelijke zondag in een afgehuurd restaurant op het Noord-Brabantse platteland.

„Komt niet meer zo vaak voor, vijftig jaar’”, mompelden we tegen elkaar, en we keken naar het echtpaar als naar Tour de France-renners die op één dag zowel de Tourmalet, de Col d’Aubisque, de Peyresourde als de Mont Ventoux hebben beklommen – en nog wel zonder doping. Zij verdienden met zoveel uithoudingsvermogen glansrijk de gele trui en hoefden van ons niet meer naar de controle.

Toen we daarover waren uitgeproost en uitgezongen, begonnen we aan de diverse tafels met elkaar te praten. Niet iedereen kende elkaar, want zo’n echtpaar heeft in de loop van een halve eeuw een groot net over zijn omgeving uitgegooid, waarin vogels van allerlei pluimage zijn blijven hangen. De man naast mij had ik nooit eerder gezien, hij bleek een buurman van de jubilarissen te zijn. Geholpen door de wijn, het antivriesmiddel van het sociale samenzijn, voerden we een levendige conversatie, waarin we elkaar vertelden over onze afkomst.

Een zwager van mij, aan dezelfde tafel gezeten, had daar iets van opgevangen en zei later tegen mij: „Jullie waren echt aan het klasjeneren.”

„Klasjewat?” vroeg ik.

„Klasjeneren.”

Ik liet het hem spellen, want ik had het woord nooit eerder gehoord. Het bleek afkomstig te zijn uit het vocabulaire van zijn moeder – mijn schoonmoeder dus. Zij leeft allang niet meer, maar dat is meteen een van de charmes van zulke bijeenkomsten: er kan nog eens een dierbare dode langskomen, plotseling, in een onverwachte bocht van het gesprek. Waar kwam dat woord in vredesnaam vandaan? We konden het niet zo gauw traceren. Mijn schoonmoeder was in Noord-Limburg opgegroeid en later naar Brabant verhuisd. In het dagelijks leven was zij altijd het Limburgse dialect blijven spreken. Maar misschien bestond het hele woord niet, had ze het gewoon verzonnen.

Internet bracht later thuis uitkomst. Klasjeneren bestond wel degelijk, zowel in Limburgse als Brabantse dialecten. In het Maastrichtse hotel-restaurant In den Hoof hebben ze zelfs een ‘klasjeneerzaol’, waar je voor 17,50 euro per persoon een dagdeel lang kunt klasjeneren. Prachtig, maar wat is het nou?

Volgens het woordenboek van de Tilburgse Taal is het ‘druk praten over gewichtige zaken’. Het lijkt sterk op ‘klassineren’, dat wél in de Van Dale staat en ‘kletsen, redeneren’ betekent. Het Etymologisch dialectwoordenboek meldt dat klasjeneren afkomstig is van het Franse ‘collationner’, dat weer aan het middeleeuwse Latijn is ontleend; collatio is onder meer ‘avondmaaltijd’, in de kloosters hield men tijdens zo’n maaltijd een uiteenzetting.

„Had je moeder nog meer van zulke ‘eigen’ uitdrukkingen?” vroeg ik mijn vrouw. Ik had de smaak te pakken gekregen, de taal bleek altijd rijker dan je kon vermoeden.

Ze hoefde niet lang na te denken en gaf twee voorbeelden. Haar moeder zei wel eens dat iemand er ‘ozelig’ uitzag, wat zoiets als ‘zielig, armoedig’ betekende. Maar ook het weer kon ‘ozelig’ zijn, en daarmee bedoelde ze dan dat het nogal guur was. Voor het weer had ze nóg een treffende uitdrukking: het kon „kaad, naad en sjuverig” zijn. Voor sommige Limburgers is het dan hondenweer.