In Jordanië krijgt de koning veel steun

DE TOESTAND

Alweer wekenlang zijn er in verscheidene Jordaanse steden demonstraties aan de gang. Duizenden mensen protesteren tegen de corruptie, tegen de hoge voedselprijzen en vooral ook tegen de premier, Samir Rifai. Vooralsnog zijn de protesten vreedzaam en houdt de politie zich afzijdig. Het punt (en het verschil met Tunesië en Egypte) is dat op dit moment de hoogste leider, koning Abdullah II, niet het doelwit is. Premiers kunnen worden gewisseld en tegen hen kan worden geprotesteerd, maar van de koning moet het volk afblijven.

Om de angel uit het protest te halen heeft de koning er bij zijn parlement op aangedrongen politieke en sociaal-economische hervormingen te verhaasten. Zo moet „het vertrouwen van het volk in de publieke instituties worden versterkt”, aldus een verklaring van de koning van eind vorige week. Maar de eis van de betogers dat de premier wordt gekozen – en niet door de koning wordt benoemd – zit niet bij die hervormingen.

Abdullah riep op tot een „voortdurende dialoog” tussen regering en parlement (beide gevuld met loyalisten) enerzijds en bevolking anderzijds. De burgers moeten „eerlijke antwoorden” krijgen: „er is niets om bang voor te zijn”.

Om de angel uit het protest te halen had hij de premier al opdracht gegeven voor een bedrag van een ruim half miljard dollar de prijzen van eerste levensbehoeften als rijst, suiker, vlees en gas opnieuw te subsidiëren en ambtenaren en politie en leger een loonsverhoging te geven. In het kader van economische hervormingen waren veel subsidies afgeschaft.

DE ACHTERGROND

De Jordaanse economie is er net als de meeste andere Arabische economieën slecht aan toe. De inflatie bedroeg vorig jaar ruim 6 procent, voornamelijk opgedreven door hogere wereldolie- en voedselprijzen, de werkloosheid ruim 13 procent (en aanzienlijk hoger onder de jeugd). Jordanië heeft geen olie en buitenlandse valuta komen hoofdzakelijk binnen in de vorm van (Amerikaanse) hulp. Het is zeker dat de Verenigde Staten erg bezorgd naar de situatie kijken. Met Egypte en Saoedi-Arabië is Jordanië de belangrijkste Amerikaanse bondgenoot in het gebied. De vrede met Israël is onder de bevolking erg impopulair maar protest is taboe. Stel je voor dat er in Amman een of ander revolutionair regime aan de macht komt dat met Israël breekt en tot Iran toenadering zoekt. Juist om dat angstbeeld heeft het Westen nooit erg hard aangedrongen op democratisering in de Arabische wereld.

WAT NU?

Het is altijd mogelijk dat de demonstranten de komende tijd een extra impuls krijgen van het Egyptische voorbeeld. Maar voorlopig blijft het protest tot duizenden deelnemers beperkt en dat is niet genoeg voor een revolutie. De positie van de koning wordt niet massaal betwist. Het Islamitisch Actiefront, de Jordaanse vleugel van de Moslimbroederschap en Jordaniës grootste oppositiepartij, heeft zich achter het protest geschaard maar niet meer mensen op straat weten te krijgen. Al langer wordt de vraag gesteld of de partij door gebrek aan resultaten niet over haar hoogtepunt heen is. En zo revolutionair is ze trouwens niet eens. Ze is tegen banden met Israël, maar ziet niets in Iran en steunt de koning.

VOORUITZICHT

Voortduring van de status-quo.