In de rest van Arabië: veel controle en weinig protest

En hoe is het in de andere landen?

Het lijkt alsof in de hele Arabische wereld de massa’s op weg zijn gegaan om hun versteende, corrupte en repressieve leiders af te zetten, maar dat is toch geen juist beeld. De olierijke Golfstaten hebben voldoende middelen om hun burgers tevreden te houden. Voor de zekerheid gaf de emir van Koeweit vorige week opdracht elke burger 1.000 dinar (een kleine 2.700 euro) en gratis levensmiddelen te geven tot 31 maart 2012, officieel ter gelegenheid van 50 jaar onafhankelijkheid.

Saoedi-Arabië is wel zeer olierijk – met ruim 8 miljoen vaten per dagen de grootste olieproducent – maar heeft toch een grote jeugdwerkloosheid. Buitenlandse gastarbeiders bezetten het werk in de bouw en andere laag-betaalde banen, en met de Saoedisering daarvan wil het niet erg vlotten. Maar ook hooggeschoolde Saoediërs komen heel moeilijk aan werk. Maar protest blijft zeer beperkt. In het koninkrijk is de controle strikt. Vrij brede toegang tot informele bijeenkomsten met bestuurders haalt ook de angel uit protest.

Irak is een op zichzelf staand geval. Sinds de val van Saddam Hussein wisselen leiders in principe via verkiezingen. Er is nog steeds van alles mis – niet de hele dag stroom en onvoldoende schoon water, werkloosheid en onveiligheid. Er wordt veel gemord, maar nieuwe machtsgrepen staan niet op het programma. Syrië heeft mogelijk het meest autoritaire regime, en daarvandaan is tot dusverre geen protest gemeld. De Palestijnse gebieden hebben genoeg aan de Israëlische bezetting.

In Noord-Afrika zijn in Algerije al geruime tijd kleinere protesten aan de gang tegen werkloosheid en de slechte huisvesting. Ze hebben tot dusverre niet de neiging uit de hand gelopen. Ook uit Libië worden hier en daar protesten gemeld, maar het land is slecht toegankelijk voor pottenkijkers. Er zijn nauwelijks berichten van demonstraties in Marokko.

(Noord-)Soedan staat wel op de nominatie voor groeiend protest. Gisteren sloeg de politie in de hoofdstad Khartoum betogende studenten uiteen die het opstappen van het zeer repressieve regime van president Bashir eisten. Hier ook stijgende voedselprijzen en een zeer onzekere economische situatie in verband met de komende afscheiding van het olierijke Zuid- Soedan.