Draaibank hamert op een hefboom

Nu is het wel genoeg, zo luidde de boodschap van ’s werelds topbankiers de afgelopen dagen tijdens het World Economic Forum in Davos. Banken hebben volgens de topmannen van onder meer JP Morgan, Barclays, en Credit Suisse nu wel voldoende op hun donder gehad, en het is tijd om weer normaal behandeld te worden.

Miljoenen werklozen en een met honderden miljarden gestegen staatsschuld suggereren dat er gerust nog wel even doorgebasht mag worden. Maar in één opzicht hebben de bankiers gelijk: alle voorstellen rond regelgeving en financiële eisen beginnen op te tellen tot een onoverzichtelijke kluwen. Een hyperingewikkeld en onsamenhangend stelsel van regels is het laatste waar de sector op zit te wachten.

Kan het eenvoudiger? Ja. Zorg dat banken zó stevig gefinancierd zijn dat zelfs de raarste capriolen hen niet op de knieën krijgen. Er is er een recent rapport van de Engelsman David Miles, een adviseur van de Bank of England, dat stelt dat het minimale eigen vermogen van banken niet 7 procent van de risicogewogen uitzettingen moet zijn, zoals voorgesteld in de nieuwe Basel-3-regels, maar tussen de 16 procent en 20 procent.

Bankiers zullen hier tegen in brengen dat de kredietverlening daar onder zal lijden. Bij een zelfde eigen vermogen, in euro’s, zal de balans flink moeten worden verkort om op het gewenste percentage uit te komen. Dat betekent dat er veel minder kan worden uitgeleend.

Maar dat hoeft helemaal niet zo te zijn. Banken zouden, als zij daar de tijd voor krijgen, bij een gelijkblijvend balanstotaal hun eigen vermogen rustig kunnen ophogen door winstinhoudingen en aandelenemissies. De overgang naar Basel-3, waarbij het vermogen al omhoog moet van 4 naar 7 procent, geeft hen daar al tot 2019 de tijd voor.

In wezen gaat het de bankiers om iets heel anders. Bij een veel groter eigen vermogen gaat de hefboom in de balans omlaag. In plaats van veertien maal hun vermogen uit te kunnen lenen, zouden zij dat nog maar vijf- tot zesmaal mogen doen. Dat scheelt behoorlijk in hun rendement.

Stel, we nemen een fictieve bank, de Nunog Rotterdamse Courantbank (NRC), die geld uitleent tegen 5 procent, en geld aantrekt tegen 4 procent. Bij een ongewogen eigen vermogen van 7 procent van het balanstotaal, maakt de bank een bruto rendement van ruim 18 procent op dat eigen vermogen. Moet dat eigen vermogen omhoog naar 16 procent van het balanstotaal, dan daalt het rendement op het vermogen tot ruim 10 procent, en bij een vermogenseis van 20 procent zelfs tot 9 procent. Daar moeten de kosten nog van af.

Uit het bovenstaande blijkt overigens ook hoe goed onze NRC-bank het vóór de kredietcrisis had, toen het vermogen slechts 4 procent hoefde te zijn: zij maakte een rendement op eigen vermogen van 29 procent! Geen wonder dat de bonussen en beloningen zo genereus waren.

En om dat laatste gaat het natuurlijk ook. Elke verhoging van het vermogen gaat ten koste van de winstgevendheid. Banken hebben de gewoonte om de maatschappelijke gevolgen daarvan breed uit te meten. Maar het zal een even grote schok worden voor de interne weelde die, gezien de terugkeer van de bonussen, kennelijk niet duurzaam onder de crisis heeft geleden. Zou de eis van een zeer groot eigen vermogen deze perverse prikkels, die mede leidden tot excessief risicogedrag, niet veel effectiever wegnemen dan nóg een meter ontduikbare regelgeving?

Maarten Schinkel