De loodzware last van de Citotoets

Tienduizenden leerlingen van groep 8 beginnen morgen met de Citotoets. Ouders, kinderen en inspectie tillen er steeds zwaarder aan. Een goede score biedt toegang tot de beste middelbare scholen. „Ouders vragen al naar de Citoscores als ze hier komen kijken voor hun kleuter.”

David Landheer (12) is klein, draagt een bril, een collegetrui en spijkerbroek. Om toegelaten te worden tot het Stedelijk Gymnasium in Leiden moet hij komende week een Citoscore van 542 halen. Minimaal. Dat weet hij. Uit zijn antwoorden blijkt dat dat vast gaat lukken. Zo niet? „Dan wil ik niet naar het gymnasium, want dan kán ik het niet.” En als hij het wel haalt, zoals iedereen verwacht? „Dan wil ik wel, want dan kán ik het.”

Morgen moeten de 27 leerlingen van groep 8 van de Leidse St. Josephschool de Cito-eindtoets maken. Drie dagen lang, vier toetsen per ochtend. Net als 157.000 leeftijdgenoten. Groep 8 van juf Angela oefent al weken met toetsopgaven. Hier, in een klein oud lokaal waar de kinderen dicht op elkaar gepakt zitten.

Nu de toets zo dichtbij is heeft hij er laatst wel een uur over gepiekerd in bed, zegt Puck. Eva ook, en Tim en Lotti. Zijn er kinderen die voelen dat hun ouders veel verwachten? De helft steekt zijn vinger op. Vanmiddag knopen ze in de klas vriendschapsbandjes, ter ontspanning.

De Cito-eindtoets heeft de afgelopen tien jaar een haast enge status gekregen. Hele scholen worden erop afgerekend door ouders en onderwijsinspectie, hele carrières van leerlingen worden er door bepaald. Inmiddels gebruikt bijna 90 procent van alle basisscholen de toets. Hij meet wat kinderen van twaalf weten en kunnen, en voorspelt welke vervolgopleiding ze aankunnen. Hij toont wat de school hun heeft bijgebracht. En dus wat de school waard is. Steeds meer middelbare scholen stellen voor specifieke opleidingen een minimumscore vast.

Voor acht leerlingen van juf Angela is het essentieel dat ze deze week een topprestatie leveren, anders wordt het schooladvies dat zij heeft gegeven ondermijnd. Zij krijgen in hun vrije tijd bijles taal en rekenen.

Kiki de Groot (11) is zo’n leerling. Lang rossig haar en lichtblauwe ogen achter een bril. Ze heeft „geen flauw idee” welke score ze moet halen, ze weet alleen dat die goed moet zijn. Na de entreetoets, die iedereen eind vorig schooljaar maakte, is ze onzeker geworden, vertelt ze. Haar toetsresultaten vielen tegen. Ze is dyslectisch. En dat houdt niet alleen in dat ze woorden verkeerd spelt. Ze leest moeizaam, waardoor ook de rekenopgaven met teksten als ‘Piet heeft 64 tennisballen die hij moet delen met zeven vrienden’ extra moeilijk zijn.

Ze trekt aan het vriendschapsbandje om haar pols. Ze is verlegen. Ze wil per se naar de havo, vertelt ze. De school geeft een twijfeladvies: vmbo-t/havo. Maar zij wil later met kinderen werken, want daar is ze goed in. Dat zegt iedereen. En voor die opleiding heeft ze havo nodig. Daarom komt haar moeder volgende week met juf Angela praten. Om te kijken of de nadruk van het schooladvies iets meer op de havo mag liggen dan op vmbo-t (voorheen mavo).

Het schooladvies van de juf is definitief, onderstreept Angela in de lerarenkamer. Per kind staat het sinds januari gebeiteld in een computerprogramma dat zo is ontworpen dat niemand er meer bij kan. Op zich hechten de meeste middelbare scholen meer waarde aan het oordeel van leerkrachten dan aan de Citoscore. Juist daarom moet dat advies staan als een huis. Zeker als het kind boven verwachting presteert tijdens de toets, want dan willen ouders dat de school het advies verhoogt. Over het advies wordt niet onderhandeld, zeggen scholen.

Sommige ouders proberen dat wel, in de ene stad meer dan in de andere. In Amsterdam, Haarlem, het Gooi en Den Haag vrij vaak – daar is de vraag naar goede middelbare scholen groter dan het aan bod. In de vier grote steden is etnische segregatie op scholen bovendien vergevorderd.

Voor witte scholen staan ouders in de rij. Dus kunnen de goede scholen kiezen: kinderen met het hoogste schooladvies en bijpassende Citoscore maken de meeste kans. En dan nóg worden er sinds een paar jaar in die steden honderden kinderen uitgeloot voor de beste school omdat er te weinig plekken zijn.

Het zijn symptomen van de verharde concurrentie tussen middelbare scholen. Die begon twaalf jaar geleden, toen de onderwijsinspectie per school ging rapporteren hoe goed die presteert. In Leiden zijn de symptomen milder, zegt directeur John van den Helder van de St. Joseph: „Wij geven in de voorlaatste klas al een voorlopig advies. Dan kunnen de ouders er aan wennen. Maar sommigen halen dan alles uit de kast om het niveau van het kind in een half jaar op te vijzelen: bijlessen regelen en betaalde Citobegeleiding.”

En toch gebeurt het ook hier: dat ouders boos worden als de school lager adviseert dan zij voor hun kind in gedachten hadden. Dat hun kind níét naar dat gymnasium kan en toch naar die grote, iets zwakkere scholengemeenschap moet. Maar negen van de tien keer, zegt juf Angela, bevestigt de Citotoets wat zij had geadviseerd.

De concurrentie raakt ook basisscholen. Directeur Van den Helder: „Alle ouders vragen naar de Citoscores als ze komen kijken voor hun kleuter. Onze scores zitten boven het landelijk gemiddelde, zeg ik dan, maar ja: wij hebben ook veel hoogopgeleide ouders dus dat ligt niet alleen aan ons.” Bovendien vindt de school sociale vaardigheden volgens hem even belangrijk.

Voor sommigen maakt de Citotoets veel uit. Jelle Peijnen heeft bijvoorbeeld een havo-advies gekregen. Een sympathieke, beetje verlegen jongen. Hij wil per se naar de scienceklas van een bepaalde school en moet dus een Citoscore van 537 halen. Daarom geeft de overbuurman hem al maanden elke zondag bijles in rekenen en taal. En wanneer hij thuis niet uit een oefenopgave komt, gaat hij naar die buurman. Gestresst is hij niet, zegt Jelle. Juf Angela heeft zo vaak herhaald: hij kan het. Hij moet zijn best doen, meer niet.