Zesduizend vrienden

Terwijl Nederland blij is met de iPad, slaat hier de twijfel over computergebruik toe. Zelfs optimisten gaan om.

Eric Sheptock zei aan de telefoon dat hij een wit petje draagt, gelukkig maar, want de Martin Luther King bibliotheek op G Street is vol zwarte mannen zoals hij. Ze staan in rijen voor een paar computers. Eric Sheptock, de dakloze man met duizenden Facebookvrienden, heeft een scherm te pakken en staat nu zijn eigen naam te googelen.

Maar eerst een omweg.

Als je hier de Nederlandse kranten leest, lijkt iedereen nogal in de ban van de iPad: hoi hoi, nieuwe snufjes. In Amerika verschijnt op het moment juist de ene na de andere deprimerende publicatie over de invloed van computers op ons leven.

The New York Times heeft de ijzingwekkende serie ‘Your Brain on Computers’. Daarin leggen neurologen uit hoe het gebruik van computers, iPhones en iPads onze aandachtsspanne schrikbarend korter maakt. Intelligente twintigers zien we falen in hun studie, niet meer in staat een boek uit te lezen. Gezinsleden vertellen hoe ze van elkaar vervreemden, nu iedereen met zijn eigen apparaatjes in de weer is. En treurig onderzoek toont aan hoe verlaten kleine kinderen zich voelen als hun ouders geabsorbeerd zijn door hun iPhone.

Of neem de hier lovend ontvangen nieuwe roman A Visit from the Goon Squad van Jennifer Egan. Het boek bestrijkt zo’n vijftig jaar, van het punktijdperk tot een jaar of tien na nu. Tegen het einde schrijft Egan een schitterend, diep ontroerend hoofdstuk van begin tot eind in de vorm van een PowerPoint presentatie. Het slot, dat in de toekomst speelt, heet ook niet voor niets Pure language. Dit hoofdstuk zou over tien jaar wel eens griezelig adequaat kunnen zijn. Kleine kinderen heten inmiddels ‘pointers’, naar hun wijsvingertjes, waarmee zij zelf muziek en apps downloaden. Peuters bepalen de markt. En twintigers intussen, durven bepaalde woorden niet meer uit te spreken. Het gaat om woorden die ze nog uitsluitend texten, woorden waarin niemand meer echt gelooft, die „alleen nog maar betekenis hebben als ze tussen aanhalingstekens worden gebruikt”, zoals Egan een linguïst laat zeggen:

‘change’

’real’

‘story’

‘friend’.

Zelf kocht ik eindelijk ook een iPad. Omdat ik van kranten houd voornamelijk, het leek een manier leek om hun toekomst te helpen veiligstellen. Ik had het ding nog niet in huis, of Apple kondigde aan voortaan 30 procent van de app-omzet van kranten te willen inpikken.

The Wall Street Journal ontdekte intussen dat websites voor kinderen meer dan welke volwassen websites dan ook, worden voorzien van technologie die verklikt wat gebruikers online doen. Vooral door Google. Daar zijn de pointers van Egan kennelijk al werkelijkheid: Google verkoopt de gegevens aan fabrikanten. Zelfs Gucci, ontdek ik elders, heeft al een app voor kinderen. Gucci!

Ook voormalige optimisten gaan hier nu om. Zoals Sherry Turkle, professor ‘sociaal onderzoek van techniek’ aan de toonaangevende technische universiteit M.I.T. in Massachusetts. Vijftien jaar geleden geloofde zij nog dat het digitale tijdperk bevrijdend zou zijn: op internet kon men zijn eigen identiteit bepalen. Nu komt zij daarop terug in haar nieuwe boek Alone Together. Turkle interviewde, naast veel meer, tieners en twintigers, die zich juist opgesloten blijken te voelen in hun internetpersonages op Facebook, MSN of Twitter. Zij proberen weer ‘authentiek’ te worden, maar hebben de moed eigenlijk opgegeven. Ze durven elkaar bijvoorbeeld nauwelijks op te bellen, want telefoneren is zo confronterend, zo echt.

Terug naar Eric Sheptock, die ook vandaag in Washington weer zijn naam zal googelen. Eric Sheptock: ruim zesduizend Facebookvrienden, inmiddels deels overgeheveld naar een ‘fanpagina’. Na een computercursus bij een daklozenstichting begon hij via Facebook vriendschapsverzoekjes rond te sturen. Toen ging het hard, een dakloze bleek in de wereld van Facebook een aanwinst: Goed voor je sociaal imago, staat lekker authentiek – het toverwoord van de internetgeneratie. Zo, en geholpen door CNN, die het ook oppikte, kreeg Sheptock in twee jaar zijn duizenden ‘vrienden’.

’s Nachts heeft hij een bed in een opvanghuis. Overdag loopt Eric de bibliotheken met computers af en post hij zijn berichtjes. Hij noemt zich tegenwoordig een pleitbezorger van de daklozen. Maar nergens blijkt eigenlijk dat mensen echt naar hem luisteren.

Over de rest kunnen we kort zijn.

„Wat”, vraag ik als we koffie zijn gaan drinken, „hebben je Facebookvrienden intussen voor jou gedaan?”

„Nou”, zegt Eric Sheptock zonder aarzelen, „niets.”