Vuistbijlen, maar zijn ze modern?

De moderne mens leefde veel eerder dan 60.000 jaar geleden buiten Afrika, schrijven Duitse archeologen in Science. Gezwam, oordeelt een Nederlandse collega. Michiel van Nieuwstadt

Gezwam.’ Met die gedecideerde kritiek verwijst Wil Roebroeks de prominentste Science-publicatie van deze week naar de prullenmand. Met een gezonde dosis zelfspot vervolgt de Leidse hoogleraar archeologie van de oude steentijd: “Ik houd zelf ook wel van wat speculeren, maar waarschijnlijk heb je het beter in de gaten als iemand anders aan het zwammen is.”

Met twee persconferenties en een persbericht in zeven talen blies Science, het vlaggeschip van de wetenschapsbladen, donderdag hoog van de toren. De ‘Out of Africa’-theorie, die verklaart hoe en wanneer onze Afrikaanse voorouders zich over de wereld verspreidden, zou op de helling moeten. Aanleiding was de ontdekking van vuistbijltjes, schraapstenen en stenen ‘priemen’ in de Verenigde Arabische Emiraten.

Hans-Peter Uerpmann (universiteit van Tübingen) en zijn collega’s claimen in het Science-artikel dat ze aan het 100.000 tot 125.000 jaar oude gereedschap kunnen zien dat het gemaakt is door moderne mensen.

Groot nieuws, want volgens de staande theorie waagde de moderne mens, zo’n 200.000 jaar geleden ontstaan in Afrika, zich op zijn vroegst 60.000 jaar geleden buiten dat continent. Andere mensachtigen zoals de Neanderthaler en Homo erectus gingen hem voor. De ontdekking van gereedschappen van vroege moderne mensen op het Arabisch schiereiland zou bovendien een aanwijzing zijn dat onze voorouders Afrika verlieten via de Hoorn van Afrika en niet via de Nijlvallei en de Levant.

KRUISPUNT

“De ontdekking van de werktuigen is op zichzelf bijzonder”, erkent Roebroeks. “Het Arabisch schiereiland ligt op een kruispunt van vroegere migratiestromen. In hun gebiedsuitbreiding vanuit Afrika moeten mensen er doorheen zijn getrokken, maar de regio is eigenlijk nog nauwelijks onderzocht.”

Dat we hier te maken zouden hebben met gereedschappen van moderne mensen noemt Roebroeks echter “verregaande speculatie”. “De onderzoekers schrijven dat deze vondsten lijken op materiaal dat is gevonden in Oost-Afrika, zo’n 2.000 tot 3.000 kilometer naar het oosten en minder op gereedschappen van Neanderthalers die in het Midden-Oosten zijn gevonden. Ik ben ervan overtuigd dat dit soort werktuigen gezien hun vorm evengoed gemaakt kunnen zijn door Neanderthalers of andere vroege mensachtigen.”

SENSATIONELER

Uerpmann laat zich niet uit het veld slaan door de ongezouten kritiek. “Wil Roebroeks heeft volkomen gelijk”, schrijft hij in een e-mail. “Maar de ontdekking van Neanderthalers op deze plaats en in deze tijd zou nog veel sensationeler zijn dan de ontdekking van moderne mensen. De werktuigen die wij hebben gevonden zijn technologisch en typologisch prima te relateren aan werktuigen van moderne mensen die zijn gevonden in Oost-Afrika.”

“Daar kan ik het niet mee eens zijn”, zegt Roebroeks’ promovendus Adam Jagich na “een nacht en een ochtend” lezen in de studie en de dikke dertig pagina’s supplementaire informatie van Uerpmann. “We kennen Neanderthalers uit de Levant en uit Irak. Hoe ver naar het zuiden ze geleefd hebben weten we niet. Dus ik begrijp niet waarom de ontdekking van Neanderthalers in dit gebied verrassender zou zijn dan de ontdekking van moderne mensen.”

Jagich vindt Uerpmanns analyse van de gevonden gereedschappen ook niet goed. De Duitse wetenschapper onderscheidt de gereedschappen die hij heeft ontdekt in vuistbijlen en twee verschillende soorten ‘kernstenen’: stukken steen die overblijven nadat er tal van scherpe, bruikbare stukken vanaf geslagen zijn. De getalsverhouding waarin die drie categorieën gereedschappen voorkomen op vindplaatsen in Afrika zou vergelijkbaar zijn met de verdeling van de gereedschappen die hij in de Verenigde Arabische Emiraten heeft ontdekt. Jagich: “Maar die procentuele verdelingen geeft hij er niet bij. In feite schrijven Uerpmann en zijn collega’s: ‘die werktuigen lijken op werktuigen uit Oost-Afrika, vertrouw ons maar.’ Dat is totaal niet overtuigend.”

MIGRATIEPATRONEN

Volgens Jagich leveren archeologen de laatste tijd te vaak alleen maar een pseudo-onderbouwing van historische migratiepatronen die zijn gereconstrueerd op basis van genetische markers in de huidige wereldbevolking. Deze studies gebruiken duizenden in de loop der eeuwen ingeslopen kopieerfouten in het genoom van levende mensen als een soort kruimelspoor waarmee hun herkomst gereconstrueerd kan worden. Een van die genetische kruimelsporen volgt de route via de Bab el-Mandab zeestraat tussen het Arabisch schiereiland en de Hoorn van Afrika. Stenen gereedschappen in de Verenigde Emiraten passen mooi in dit plaatje.

Volgens Uerpmann lag de Bab el-Mandab 130.000 jaar geleden grotendeels droog, waardoor onze Afrikaanse voorouders de oversteek konden maken. Deze tijdsperiode valt samen met het einde van de voorlaatste IJstijd, veel zeewater lag toen in ijskappen waardoor het water van de Rode Zee lager stond. Volgens Uerpmann was het Arabisch Schiereiland in die tijd geen droge woestijn, maar een redelijk begroeid gebied dat doorsneden werd door een netwerk van meren en rivieren. Via dat gebied zou de moderne mens het stroomgebied van de Eufraat en India bereikt kunnen hebben.

MINERALEN

Ook op dit punt krijgen de auteurs van Roebroeks de volle laag. De aardlagen waarin de gereedschappen zijn ontdekt, zijn gedateerd met optisch gestimuleerde luminescentie, een methode die bepaalt hoe lang mineralen onder de grond begraven liggen door vast te stellen wanneer ze voor het laatst aan zonlicht zijn blootgesteld. “De datering in Science heeft een forse foutenmarge”, zegt Roebroeks. “En ze kiezen gewoonweg voor de onderkant van die range. Dat maakt de link tussen de lage zeespiegelstand en de datering van de migratie omstreden. En wij leren onze tweedejaars al dat één dateringsmethode echt niet genoeg is.”

“Ach”, besluit Roebroeks, “grote bladen als Science en Nature, waar we allemaal graag in willen komen, scoren nu eenmaal graag met verhalen over de menselijke afkomst. In die twee bladen verschijnen nog wel de meest sensationele verhalen op mijn vakgebied, maar niet per se de beste. Daarvoor moet je tijdschriften met een doorgaans zwaardere peer review lezen, zoals het Journal of Human Evolution.”