VS vrezen verlies van hun Arabische bondgenoten

Opstand in Egypte

De Verenigde Staten steunden jaren Arabische autocraten als Hosni Mubarak, die schermden met de dreiging van moslimfundamentalisme. De positie van de VS in de regio verzwakt nu snel.

De aanhoudende demonstraties voor democratisering en tegen de autoritaire regimes in Egypte, Jordanië en Jemen brengen de Verenigde Staten in een bijzonder moeilijke positie. De regeringen die nu mikpunt zijn van de betogers zijn om verschillende redenen belangrijke bondgenoten. Hun val zou de hele Amerikaanse politiek in het Midden-Oosten overhoopgooien en wellicht het vredesproces met Israël op losse schroeven zetten.

Aan de andere kant kan president Barack Obama de roep van tienduizenden betogers tot democratische hervormingen niet negeren. Democratische hervormingen behoren al jaren tot de publieke retoriek van de Amerikaanse regering. Na de aanslagen van 9/11 door Al-Qaeda besloot de toenmalige Amerikaanse president George Bush dat democratisering in de Arabische wereld de voedingsbodem voor extremisme zou wegnemen.

Zijn vertegenwoordigers drongen aan op hervormingen en bekritiseerden weigerachtige regimes. De meeste daarvan werkten althans verbaal mee. „Als democratie gerechtigheid, gelijkheid en vrijheid betekent, dan zijn we allemaal democraten”', zei de Saoedische minister van Binnenlandse Zaken, prins Nayef bin Abdul-Aziz, in 2003 in reactie op een toespraak van Bush.

Maar het Amerikaanse enthousiasme voor politieke liberalisering in het Midden-Oosten verminderde in 2005-2006 tegen de achtergrond van de opmars van moslimfundamentalisten, overal waar maar iets meer politieke ruimte kwam. Arabische leiders, president Hosni Mubarak voorop, wettigden voortaan hun repressie onder verwijzing naar „het fundamentalistische gevaar”. Of het bestond of niet.

Mubarak weigerde vijf jaar lang in Washington op bezoek te komen, uit woede over Bush’ campagne. Maar naar Obama’s Washington reisde hij in augustus 2009 wel. Obama had in juni van dat jaar Kairo uitgekozen voor zijn grote, verzoenende toespraak tot de islamitische wereld. Democratische hervormingen kwamen daarin nauwelijks aan de orde.

Diplomatieke post van de Amerikaanse ambassade in Kairo die gisteren via WikiLeaks bekend werd, toont aan dat de Egyptische repressie een grote zorg bleef voor de Amerikanen, maar dat het bondgenootschap toch belangrijker werd geacht.

Voorafgaand aan Mubaraks bezoek in 2009 wees ambassadeur Margaret Scobey erop dat Bush’ publieke aanmerkingen Egypte en Amerika uiteen hadden gedreven. Bij minister Hillary Clinton (Buitenlandse Zaken) drong ze aan op een minder frontale benadering van de Egyptische problematiek. Mubarak „heeft weinig tijd voor idealistische doelen”, schreef ze. Amerikaanse inspanningen om hervormingen in de islamitische wereld aan te moedigen hadden volgens Mubarak alleen tot chaos geleid. Om zijn punt te maken, aldus Scobey, wees hij graag op de sjah van Iran: „De VS moedigden hem aan om hervormingen te accepteren en konden vervolgens slechts toekijken hoe het land in de handen viel van revolutionaire extremisten”.

In een eerder telegram legde Scobey nog eens uit waarom het regime van Mubarak zo belangrijk was dat Washington het sinds de vrede met Israël in 1979 1,5 miljard dollar per jaar aan hoofdzakelijk militaire hulp gaf. „Ons partnerschap garandeert dat er geen hervatting kan zijn van een open Arabisch-Israëlische oorlog” en verschaft „waardevolle Amerikaanse militaire toegang” tot het Suezkanaal en het Egyptische luchtruim. „We zouden niet graag de complicaties voor Amerikaanse regionale belangen willen beschouwen mocht de Amerikaans-Egyptische band ernstig worden verzwakt.”

Twee weken geleden viel na een wekenlange protestgolf de Tunesische sterke man, Zine al-Abidine Ben Ali. Hij was niet zo’n belangrijke bondgenoot omdat hij (volgens de Amerikaanse ambassadeur via WikiLeaks) vooral met zichzelf bezig was. Maar het was toch een bevriend regime. Niemand had ermee rekening gehouden dat de repressie die Ben Ali als noodzakelijk in de strijd tegen het fundamentalisme verdedigde, tot zo’n desastreuze explosie zou kunnen leiden. Nu kunnen zulke explosies opeens overal gebeuren.

Pro-democratische demonstraties zetten de afgelopen dagen ook die andere belangrijke Amerikaanse bondgenoot, koning Abdullah van Jordanië, onder zware druk. De koning van Bahrein, die de Amerikaanse Vijfde Vloot onderdak biedt, is al maanden doelwit van protesten van zijn achtergestelde, shi’itische minderheid. Ali Abdullah Saleh van Jemen, op wie de Amerikanen vertrouwen om de regionale Al-Qaeda-organisatie uit te roeien, hoorde donderdag tienduizenden betogers zijn aftreden eisen. Ruzie om het Libanon-tribunaal leidde tot de val van hun Libanese bondgenoot Saad Hariri die nu door een door Hezbollah gedomineerde regering wordt vervangen. Het is een heel andere zaak, maar hij brengt wel een aanmerkelijke verzwakking van de Amerikaanse – en Israëlische – positie met zich mee.

Israël, dat jaar in jaar uit gedachteloos kon rekenen op een betrouwbare bondgenoot in Kairo, mikt nog steeds op het overleven van Mubaraks regime. Met Hezbollah aan de macht in Libanon oogt de omgeving plotseling heel onvriendelijk. „We maken een aardbeving mee in het Midden-Oosten”, zei een Israëlische minister die verder anoniem wilde blijven tegen journalisten. „Maar wij geloven dat het regime sterk genoeg is en dat Egypte de golf van betogingen te boven komt. Het Egyptische regime, met inbegrip van het defensieapparaat, beschikt over solide wortels.” Hij repte niet van democratische hervormingen.

Maar de Amerikanen maken zich openlijk steeds meer zorgen. Egypte is geen Tunesië; elk nieuw regime, niet alleen de fundamentalistische Moslimbroederschap, zou de impopulaire vrede met Israël kunnen opzeggen. De prettige samenwerking met Egypte tegen Hamas, waarvan de ‘Palestine Papers’ van Al-Jazeera getuigden, zou tot het verleden behoren. Minister Clinton onderstreepte deze week nog dat het (muurvast zittende) Arabisch-Israëlische vredesproces centraal staat in haar strategie in het Midden-Oosten.

Gisteren deed Clinton een dringend beroep op de regering-Mubarak geen geweld te gebruiken tegen de betogers en de maatschappij als „een partner” te zien in plaats van „bedreiging”. „Fundamentele rechten moeten worden geëerbiedigd”, twitterde haar ministerie, „hervorming is van levensbelang”. Als drukmiddel kondigde het State Department aan „het steunbeleid te herzien op basis van de ontwikkelingen vandaag en in de komende dagen”.

De Egyptische betogers schreeuwen dat Mubarak moet opstappen, maar zover willen de Amerikaanse leiders nog lang niet gaan. Op de vraag of Mubarak moet vertrekken antwoordde vicepresident Joe Biden gisteravond voor de omroep PBS: „Nee. Ik denk dat het tijd is geworden voor president Mubarak om [..] meer ontvankelijk te worden voor sommige behoeften van zijn bevolking.”