Vrolijk vergrijzen

Ouder worden is niet erg. Fysiek gaan we achteruit, maar geluksgevoel volgt de vorm van een ‘U’: Mensen worden tot hun 45ste levensjaar depressiever, daarna steeds gelukkiger.

We tobben wat af, mijn vrienden en ik. Geen van ons kijkt uit naar of is trots op zijn veertigste verjaardag. Allemaal voelen we ons regelmatig overbelast en ondergewaardeerd. Tien jaar geleden joegen we nog tot ver over de grens onze dromen en ambities na en hadden we zeeën van tijd, voor onzin en voor elkaar; nu zijn de kaarten geschud, de huizen gekocht, en zitten onze hoofden en agenda’s vol.

Daarbij laat het lichaam ons tegenwoordig met allerlei venijnige tekenen weten dat de dagen van vrolijke verwaarlozing voorbij zijn. Rugpijn, rsi-schouders, een verlammende kater na maar één drankje te veel, een ballonenkel als enig winstpunt van een nostalgisch potje voetballen: allemaal voortekenen van de toenemende fysieke ellende die ons ongetwijfeld wacht. Die zo vurig gewenste kinderen van ons zullen de komende jaren uitgroeien tot landerige gsm-junks, onze banen zullen opdrogen of juist ondraaglijk druk worden, alles wordt duurder, en wie zegt dat onze relatie standhoudt? Of dat die grote liefde alsnog in ons leven verschijnt?

Zo denken we, malen we. De toekomst lijkt soms niets dan een loden last. Maar we vergissen ons. Wij zullen het niet alsmaar moeilijker krijgen – sterker, de kans is groot dat we over tien jaar, als we rond de vijftig zijn, gemiddeld een stuk gelukkiger zijn dan nu. En weer tien jaar later zijn we nog blijer. Uit recente, wereldwijde onderzoeken blijkt dat het geluksgevoel van de mens geen dalende lijn van een vrolijke jeugd naar een droevige ouderdom is, zoals altijd verondersteld werd, maar een ‘U’: tot ons 45ste zijn we inderdaad steeds minder gelukkig, maar daarna volgt een weg omhoog.

„Prachtig”, noemt psychiater Marc Blom (52) de recente onderzoeksresultaten van onder meer de Eurobarometer en het General Social Survey uit de VS. De ‘U’-vorm die eruit opdoemt, strookt met zijn praktijkervaringen bij PsyQ, een landelijke zorginstelling met 30 vestigingen waar jaarlijks ruim 30.000 mensen worden behandeld. Veruit de grootste groep die zich meldt met klachten van depressieve aard is tussen de 35 en 45 jaar oud. Daarna neemt het sterk af, en tussen de 55-65 jaar krijgt PsyQ er zelfs nauwelijks nieuwe patiënten bij. „De vijftigers die wij behandelen, kennen we vaak al”, aldus Blom. „Bij hen is er sprake van een terugkeer van oudere klachten. Maar nieuwe patiënten zien we niet veel.”

De verbeterde stemming van 45-plussers is deels uit externe factoren te verklaren: zowel thuis als op het werk neemt de druk vanaf dat moment gestaag af, totdat de kinderen echt de deur uit zijn en er een pensioen kan worden genoten. In De vergrijzing leeft, een bundel wetenschappelijke artikelen over ‘Kansen en keuzen in een verouderende samenleving’, zet directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau Paul Schnabel op een rij hoe Nederlandse vijftigers en zestigers de tijd die hun dat oplevert besteden: zorgen voor elkaar en voor de (klein-)kinderen, vrijwilligerswerk, schouwburg- en museumbezoek, sporten, reizen. In een welvarend land als Nederland is ouder worden dus zo gek nog niet. Maar wie het dal van zijn ‘U’ eenmaal doorstaan heeft, constateert meestal ook dat er innerlijk iets verandert.

„Jonge mensen zijn onbezonnen en arrogant”, zegt de Amsterdamse yogaleraar Martyn Hoogstra (58). „Dat was ik ook. Toen ik dertig jaar geleden begon met yoga was ik streng, gericht op prestaties. Ik eiste enorme fysieke inspanning van mijn leerlingen. Nu ben ik milder. Ik accepteer mijn eigen beperkingen en heb daardoor minder moeite met die van anderen. Stemmingswisselingen of dagen met minder energie laat ik toe, ze horen erbij. Vroeger wilde ik daar niet van weten. Ik ging voortdurend over mijn grenzen heen.”

Het keerpunt kwam voor Hoogstra op zijn 48ste, toen hij met vijftien anderen werd geselecteerd voor een retraite in India onder leiding van zijn goeroe, de Britse yogi Clive Sheridan. Dertig dagen zwijgen, twaalf uur yoga per dag: het bleek een brute, maar doeltreffende manier om een mentale doorbraak te forceren. Hoogstra: „Dat duiveltje in jezelf, dat je voortdurend treitert met vragen – ‘Kan ik dit wel?’, ‘Wat als het niet lukt?’ – dat heb ik toen goed in de ogen kunnen kijken. Ik ben mezelf tegengekomen, zoals dat heet. Ik zag het bij de anderen ook gebeuren. Het was niet leuk. Maar toen ik terugkwam, was ik een ander mens. Ik wist dat ik alleen op mezelf, op mijn hart kon vertrouwen.”

‘Ik zou geen 24 of 34 meer willen zijn”, zegt Marianne ter Laak (54). „Als je jong bent, ben je nog zo bezig met wat anderen van je vinden. Ik kan nu veel meer mezelf zijn. En omdat je meer hebt meegemaakt, relativeer je gemakkelijker. Dat is zo fijn. Het compenseert de fysieke ongemakken ruimschoots.”

Ter Laak is hoofdredacteur van Plus Magazine, het oudste en grootste ouderentijdschrift in Nederland. Toen uitgever Senior Publications Nederland 21 jaar geleden een Nederlandse versie van het Franse Notre Temps op de markt bracht, moesten de adverteerders nog met moeite worden geworven. „Men deinsde ervoor terug ouderen als doelgroep te bejegenen”, zegt Ter Laak. „Maar we zijn ingehaald door de macht van het getal.” Met de stijging van het aantal ouderen (inmiddels telt Nederland ruim 2,6 miljoen 65-plussers, 15,6 procent van de totale bevolking) groeide ook het succes van Plus. Het blad heeft nu een stabiele oplage van 290.000 en een populaire website, Plusonline.

Plus is mild en optimistisch van toon, maar Ter Laak waakt voor „de karikatuur van het Zwitserleven Gevoel”. „Onze lezers zijn sportieve, zelfbewuste mensen die goed kunnen genieten. Maar hun leven heeft ook schaduwzijdes. Als oudere moet je harder werken om fysiek fit te blijven. Mantelzorg kan een zware, nauwelijks opgemerkte of beloonde taak zijn. Financieel moet je je zaken op orde brengen. Over die onderwerpen schrijven we ook.” Op de cover zet Plus bij voorkeur een Bekende Nederlander op leeftijd die kan getuigen van herkenbare ervaringen: Mieke van der Weij, Mathilde Santing, Renée Soutendijk.

Het merendeel van de Plus-lezers is vrouw, maar mannen maken 35 procent van het totaal uit, wat gezien de softe uitstraling van het blad verbazingwekkend mag heten. „Mannen vervrouwelijken een beetje als ze ouder worden”, verklaart Ter Laak. „Ze gaan vaak heel enthousiast koken, bijvoorbeeld, en krijgen meer aandacht voor huishoudelijke zaken. Maar ze blijven ook geboeid door typische mannendingen: technologie, politiek, sport. Vrouwen gaan op zoek naar een innerlijke balans. Ze lezen, ze doen aan yoga, ze pakken nieuwe creatieve hobby’s op. Vrouwen hebben vaak jaren voor anderen klaargestaan. Als die plicht wegvalt, denken ze: ‘Vanaf nu besteed ik tijd aan mezelf’.”

Hoe nu een al te groot midlifedal te voorkomen, en, beter nog: zo goed en gezond mogelijk de oude(-re) dag te beginnen? Ter Laak raadt iedereen aan om vanaf z’n veertigste na te denken over de tweede helft van z’n leven. „Onze levensverwachting blijft stijgen. De meesten van ons krijgen jaren extra tijd cadeau. Wat wil je daarmee doen? Alleen maar genieten is niet genoeg. Misschien wil je wel blijven werken, maar onder flexibeler voorwaarden.”

Psychiater Marc Blom houdt het wat aardser. „Niet roken, voldoende bewegen, letten op wat je eet: het klinkt zo banaal, maar wie zijn bloedvaten gezond houdt, voorkomt ook veel mentale ellende.” Hij heeft nog een tip: „Zorg goed voor je relaties – en daarmee bedoel ik echte mensen, niet je contacten op Facebook. Daar zijn we een beetje te vluchtig in geworden.” Ter Laak: „Zoek lotgenoten op. De problemen die je zult tegenkomen, zijn niet uniek. Je hoeft ze niet in je eentje het hoofd te bieden.”

„Je moet jezelf blijven uitdagen”, zegt Martyn Hoogstra, die zelf nog geenszins van plan is om met pensioen te gaan. Sterker: over twee jaar, als hij „een oudje” van zestig is, wil hij met jonge yogadocenten gaan werken om zijn ruime ervaring aan hen door te kunnen geven. „Fysiek kan ik dan lang niet alles meer wat zij kunnen, maar dat laat ik los. Er staat veel tegenover. Je ziet vaak dat oudere mensen alles al over zichzelf denken te weten. Hun bewegingspatroon wordt beperkter, en het beeld dat ze van zichzelf hebben, raakt gefixeerd: ‘Je wéét toch dat ik daar niet van hou?’ Dan gaat het van kwaad tot erger: je doet minder, raakt steeds onzekerder over wat je kunt en je eindigt achter de rollator. Zo hoeft het niet. Mijn moeder is 92 jaar geworden, en die stond tot haar laatste dag in het volle leven.”

Nog vijftig jaar in het volle leven staan; ik word al moe als ik eraan denk. Misschien moet mijn generatie dat ‘volle leven’ om te beginnen maar eens herdefiniëren. Ter Laak benijdt ons niet; ze noemt Nederland anno 2011 een „prestatiemaatschappij” waarin de nadruk ligt op „het gevecht, de struggle for life”. Hoogstra vindt de jonge volwassenen die naar zijn les komen „veel te gehaast en gespannen”. „Daarom duren mijn lessen ook twee uur: ik wil dat mensen eerst een half uur mediteren, om dat lijf helemaal tot rust te laten komen.” Wat klinkt dat verstandig en aantrekkelijk. Ik geef me op voor een proefles. Je bent nooit te jong om te leren.