Schrijvende lezers moeten de ruimte krijgen in de krant

De krant krijgt een stroom ingezonden brieven en stukken van lezers. De meeste halen de krant niet. Wat gebeurt ermee?

Lezers zijn van levensbelang voor een krant – niet alleen omdat ze lezen, maar ook omdat ze schrijven.

Ze schrijven over taalfouten (terecht een steen des aanstoots: een krant moet foutloos Nederlands bevatten), maar ook over feitelijke onjuistheden in artikelen, en natuurlijk over kleine en grote ergernissen, opgedaan bij het lezen van de krant.

Hoe gaat de krant daarmee om? Op de redactie opinie kwamen in 2010 zo’n 4.400 ingezonden stukken binnen van lezers (circa 900 geplaatst) en zo’n 7.000 brieven (ongeveer 1.000 geplaatst). Meestal zijn dat ‘verzonden’ brieven, want e-mail heeft ook onder de lezers van NRC Handelsblad de papieren post al lang vervangen.

Als brieven kritische of nuttige opmerkingen bevatten over een stuk in de krant, maar niet voor plaatsing in aanmerking komen, bijvoorbeeld omdat er geen ruimte meer is die dag, worden ze doorgestuurd naar de auteur van het bewuste artikel. Je weet nooit wat die eraan heeft.

Dat blijkt niet altijd de bedoeling.

Een lezer stuurde bijvoorbeeld een lange, kritische reactie naar de site op een artikel van Afshin Ellian, waarin de columnist zich vrolijk maakte over de jongste kerstrede van de koningin. Het opinieblog op de site bleek (tot ergernis van de lezer) plotseling gestopt, en hij stuurde zijn reactie dus maar door naar de opinieredactie. Die liet hem weten dat de redactie het stuk niet zou plaatsen, maar wel weer had doorgestuurd, naar Ellian.

Foutje – vond de lezer.

Hij maakte daar bezwaar tegen, liet hij per kerende post weten. Ja, hij wilde best een meningsverschil met de columnist, maar niet dat die de beschikking kreeg over zijn e-mailadres. De lezer, die zich scherp en gedetailleerd afzette tegen Ellians kritiek op de koningin, is namelijk beducht voor de ‘verkettering’ die hem dan wellicht te wachten zou staan.

Vergezocht?

Ja, wie een polemiek zoekt, moet natuurlijk niet bang uitgevallen zijn. Aan de andere kant, ik kan me die schroom van de lezer in dit geval wel een beetje voorstellen. Ellian heeft soms een nogal, laten we zeggen, robuuste aanpak. Zeker op zijn andere vaste forum, de website van Elsevier, waar hij nog een retorisch tandje bijzet of de remmen eens flink losgooit.

De transparantie gebiedt hier overigens te zeggen, dat ik op die site zelf een keer heb mogen kennismaken met dit polemische enthousiasme van de columnist. Na een hem onwelgevallige boekbespreking volgde het verwijt van ‘rioolteksten’ en ‘ideologische bezetenheid’. Geen punt, een recensent moet zoiets kunnen hebben, die is ten slotte begonnen.

Maar voor een getergde lezer die in de pen klimt ligt dat anders. De vaste columnist troont op een tweewekelijks forum, waar hij regeert met ondersteuning van een gedegen eindredactie, die taalgebruik bijspijkert en argumentatie bekijkt. De lezer daarentegen moet het allemaal zelf doen en bovendien maar afwachten wat er met zijn inzending gebeurt.

De opinieredacteur die dit ingezonden stuk behandelde, zegt dat het doorsturen van stukken nu eenmaal gebruikelijk is, net als bij brieven. Columnisten moeten te weten krijgen welke reacties hun stukken losmaken, en je weet ook nooit of zij nog iets hebben aan de kritiek, of er persoonlijk op willen reageren. Briefschrijvers vragen trouwens meestal zelf of hun brief, bij niet-plaatsing, dan toch kan worden doorgestuurd.

Inzenders van brieven of stukken, moeten er daarom rekening mee houden dat hun stuk ook anderen onder ogen komt. Zij benaderen immers uit vrije wil de krant. De redactie heeft hier dus geen ‘vertrouwelijkheid’ geschonden, zoals de inzender meent.

Maar daar staat wel iets tegenover: de redactie mag best wat extra aandacht besteden aan een lezer die zijn nek uitsteekt. Een telefoontje om uit te leggen waarom het stuk niet meegaat (in plaats van een korte afwijzing per e-mail) en wat er verder mee gebeurt, hoeft niet altijd, maar was in dit geval wel op zijn plaats geweest.

En een tip voor de lezer: wie niet wil dat zijn e-mailadres verspreid wordt, moet dat er meteen bij zeggen. De redactie moet er in elk geval over beschikken, want die moet contact kunnen opnemen met lezers die een stuk insturen. Lezers wijzen vaak op feitelijke fouten in de krant, en dan is een telefoonnummer of e-mailadres natuurlijk nodig, bijvoorbeeld om iets nog eens te verifiëren.

En lezers zijn opmerkzaam – gelukkig maar. Zo merkte een lezeres onlangs op dat de krant schreef dat in het Australische Toowooba in een half uur maar liefst 80 centimeter regen was gevallen. Dat leek haar zo absurd, dat ze ging zoeken op Australische websites, en vond dat er ongeveer 70 millimeter in drie uur was gevallen, met een maximum van 40 centimeter in een week. Deze waterige fout was de redactie overigens ook opgevallen, en is gecorrigeerd.

Correcties van lezers worden, uiteraard nadat gecontroleerd is of echt een fout is gemaakt, opgenomen in de rubriek Correcties en Aanvullingen. Als een brief meer informatie bevat of erg lezenswaardig is (en dat is vaak het geval), kan het gebeuren dat zo’n correctie achterwege blijft, en de brief wordt afgedrukt.

Dat laatste kan dan weer een interessante discussie opleveren. Het heeft alleen wel het nadeel, dat de lezer niet weet of de krant de fout nu erkent of niet. Ik zou daarom zeggen: feitelijke fouten altijd corrigeren, ook als het gaat om opiniestukken. Verschillen van inzicht en interpretatie kunnen worden uitgevochten in de brievenrubriek.

Tot slot: van alle brieven worden er vijftien tot twintig per week geplaatst. De opinieredactie moet woekeren met de ruimte, al is het aantal geplaatste brieven sinds oktober toegenomen, door extra pagina’s.

Toch vind ik het nog weinig.

Ingezonden brieven zijn goed, maar afgedrukte brieven zijn beter.