Plek voor islam in politiek Tunesië

Voor het eerst in twintig jaar heeft fundamentalisme in Tunesië een kans. Een doembeeld is ‘onzin’. De jongeren hebben niets met fundamentalisten.

Door Gert van Langendonck

In de democratische orgie die de Avenue Bourguiba in Tunis vandaag de dag is, zijn alle geuren en kleuren vertegenwoordigd, ook die van de politieke islam. Neem Adel Mezrigui, een bebaarde jongeman die driftig aan het betogen is voor het gehate ministerie van Binnenlandse Zaken.

„Daarbinnen zijn kelders waar mensen als ik werden opgesloten alleen maar omdat ze een baard hadden!”, roept hij. „Maar er zijn helemaal geen moslimextremisten in Tunesië. Ben Ali heeft dat verzonnen om zich te verzekeren van de steun van Amerika. Wij willen alleen een plaats voor de islam in het nieuwe Tunesië; als anderen willen drinken en dansen, dan hebben wij daar geen enkel probleem mee.”

Dat klinkt geruststellend, maar de vraag die velen in het Westen zich nu stellen is: groeien de baarden in Tunesië sinds het vertrek van Ben Ali? En: wordt Tunesië straks een probleem?

Om een idee te hebben van hoeveel steun de moslimfundamentalistische politiek geniet in Tunesië moet men teruggaan naar 1989. Ben Ali was toen heel even een verlichte leider die vrije verkiezingen toeliet. Ook de fundamentalistische partij Ennahda mocht meedoen. Ennahda haalde 17 procent van de stemmen en werd de tweede partij na de RCD van Ben Ali. Omdat Tunesië het meerderheidsstelsel hanteert, gingen toch alle zetels naar de RCD.

Het was het begin van twee decennia autoritair regime, gedurende welke Ben Ali zich opwierp als de verdediger van het Westen tegen het gevaar van fundamentalisme. Ennahda werd verboden en duizenden salafisten – radicale moslims – gingen de gevangenis in op verdenking van terrorisme.

De onderbreking van twintig jaar zorgt ervoor dat niemand vandaag met enige zekerheid kan zeggen hoeveel steun de moslimfundamentalisten genieten. Ook de mensen van Ennahda geven toe dat ze het zelf niet weten.

„Niemand kan op dit moment zeggen hoeveel steun wij hebben onder de bevolking”, zegt Lourimi Ajmi, medeoprichter van Ennahda. „Deze revolutie is spontaan geweest en ze kan door geen enkele partij geclaimd worden, ook niet door ons.”

Lourimi Ajmi heeft onder Ben Ali ruim zestien jaar in de gevangenis gezeten; gedurende veertien jaar was hij verstoken van boeken, kranten of televisie. Sinds zijn vrijlating in 2007 heeft hij een master filosofie behaald en werkt hij aan zijn proefschrift over de Franse joodse filosoof Emmanuel Levinas. „Jullie moeten echt niet bang zijn voor ons”, zegt Ajmi. „Het enige dat wij willen is samen met de andere partijen actief meewerken aan de ontwikkeling van ons land.”

Ajmi zegt dat Ennahda zich situeert ergens tussen de Marokkaanse fundamentalisten van de PJD en de gematigde AKP in Turkije. „Dat wil zeggen dat wij in de eerste plaats een democratisch Tunesië willen waar plaats is voor iedereen, ook voor de fundamentalisten. Wij vragen noch een islamitische republiek noch de invoering van de shari’a.”

Ajmi, keurig in het pak en met een verzorgde sik in plaats van een baard, is het gezicht bij uitstek van de gematigde gelovige politiek. En zijn betoog vindt steun bij de Franse expert Olivier Roy die in verschillende media onomwonden stelt dat „er geen fundamentalisten zijn in Tunesië. Punt uit.” Noord-Afrika, zegt Roy, bevindt zich in een post-islamitische fase. „We zijn dertig jaar na de terugkeer van ayatollah Khomeiny in Iran. Zij die het fundamentalisme hebben gesteund in de Maghreb, met name in Algerije, hebben niets bereikt. De jongeren die in Tunesië in opstand zijn gekomen, hebben niets met fundamentalisme.”

Dat is wel eens anders geweest. Hamadi Redissi is hoogleraar politieke wetenschappen aan de universiteit van Tunis en een van de weinige moslimfundamentalisme-experts in Tunesië. Hij is ook voorzitter van de vereniging van vrijzinnigen in Tunesië. „Noem mij gerust de meest virulente tegenstander van het fundamentalisme in Tunesië”, zegt hij.

Volgens Redissi waren de Tunesische fundamentalisten in 1989 bijzonder geradicaliseerd. „Ze wilden elke vrouw een hijab [hoofddoek, red.] aandoen; het was echt schrikwekkend. Het waren allesbehalve gematigden.” Redissi weet zeker dat als Ben Ali Ennahda niet had verboden in 1989, de partij bij de volgende verkiezingen de meerderheid had behaald.

Maar ook Redissi zegt dat de Tunesische fundamentalisten op dit moment geen gevaar zijn. „Het doembeeld oproepen van een post-Ben Ali Tunesië dat onder de voet wordt gelopen door fundamentalisten is klinkklare onzin. Het is wel goed mogelijk dat ze straks zullen herrijzen als een feniks.”

Daarom wil Redissi dat het artikel in de grondwet wordt geschrapt dat stelt dat de islam de staatsgodsdienst is van Tunesië. „Zou het niet mooi zijn als Tunesië behalve een democratie ook het eerste land zou worden in de Arabische wereld met een scheiding van godsdienst en staat?” En hij wil het meerderheidsstelsel vervangen zien door een proportionele vertegenwoordiging.

„De fundamentalisten gaan een belangrijke stroming worden in de Tunesische politiek; dat staat buiten kijf”, zegt Redissi. „Dat hoeft echter geen probleem te zijn zolang we maar een proportionele vertegenwoordiging hebben. Als het meerderheidsstelsel blijft, dan komen de fundamentalisten vroeg of laat aan de macht.”