Onzichtbare Turken

Paul Schnabel

Murat Can – Wel thuis! De beleving van migrant zijn, psychische gezondheid en kwaliteit van leven bij Turken in Nederland – 324 blz. Universiteit van Tilburg, 19 november 2010. Promotores : Prof.dr. G.L. van Heck, prof.dr. P.P.G. Hodiamont

Ineens was er onrust over de positie van vooral Turken van de tweede generatie in Nederland. Ze voelen zich hier niet echt thuis en hebben ook het gevoel steeds minder geaccepteerd te worden. Er is frustratie over het isolement en dat zou zelfs tot radicalisering kunnen leiden. Op 10 januari publiceerde een groep verontruste Turkse Nederlanders een ingezonden brief in de Volkskrant om aandacht te vragen voor de problemen van hun jonge en meestal in Nederland geboren en getogen landgenoten. In de brief werd verwezen naar het onderzoek van Murat Can naar de psychische gezondheid van Turken in Nederland en hun onvrede met hun bestaan hier. Velen zouden uiteindelijk wel terug willen naar Turkije, al betekent dat voor de tweede generatie feitelijk emigratie naar het land van herkomst van de ouders. Het is overigens niet bekend hoe vaak dat ook werkelijk en blijvend het geval is. De officiële terugkeercijfers zijn niet erg hoog.

De ingezonden brief was opmerkelijk, omdat er altijd gedacht werd dat het met de Turken in Nederland eigenlijk wel goed ging. Vergeleken met de Marokkanen zijn zij zelden negatief in het nieuws. De Turken zijn onderling veel beter georganiseerd en meer dan de Marokkanen zijn de Turken ook actief en succesvol als ondernemers. In vergelijking met autochtone Nederlanders zijn de criminaliteitscijfers wel hoger, maar toch veel minder hoog dan bij Marokkanen. Omdat de Marokkanen veel meer in ongunstige zin in het nieuws zijn, denken veel mensen ook dat er meer Marokkanen dan Turken in Nederland zijn. Dat is niet zo, de Turkse gemeenschap telt ongeveer 385.000 leden, de Marokkaanse een kleine 350.000.

Onderzoek heeft al verschillende malen laten zien dat ondanks alle problemen de Marokkanen beter in de Nederlandse samenleving integreren dan de Turken. Het gaat wel met de nodige pijnscheuten gepaard, maar anders dan Turkije is Marokko geen aantrekkelijk alternatief. De Nederlandse Marokkanen, grotendeels Berbers, zijn in hun eigen land een lastige en weinig in aanzien staande groep met een slechte verhouding met de regering. Marokkanen laten hun kinderen ook nauwelijks les krijgen in hun eigen (ongeschreven) taal, Turken sturen hun kinderen meestal wel naar Turkse les. Anders dan Marokko ontwikkelt Turkije zich ook economisch, sociaal en cultureel heel snel. Maar juist de oriëntatie op Turkije, de nog altijd sterke onderlinge sociale controle en de neiging vooral in eigen kring te blijven, houden de jongere generatie op afstand van de Nederlandse samenleving. Dat wreekt zich nu.

Murat Can kwam 25 jaar geleden vanuit Turkije naar Nederland. Hij was toen al afgestudeerd in de sociale wetenschappen en is sindsdien vooral in de geestelijke gezondheidszorg werkzaam geweest, als psychotherapeut, maar ook als onderzoeker. Zijn proefschrift is een breed opgezette en zwaar met literatuur ondersteunde studie naar het welzijn van de Turken in Nederland. Zoals de ondertitel al laat zien bestaat het uit drie delen, die overigens elk op zich al voldoende materiaal voor een proefschrift bevatten. Het meest gestandaardiseerde onderzoek heeft betrekking op de psychische gezondheid en psychische problematiek, die gemeten wordt met een hele batterij aan internationaal aanvaarde instrumenten en schalen. Ook voor het meten van de kwaliteit van leven (lichamelijke gezondheid, sociale relaties, woonomgeving, veiligheid, geld) wordt gebruikgemaakt van standaardvragenlijsten. Can (je spreekt het uit als ‘tsjan’) heeft zelf een nieuw instrument ontwikkeld – dat is een gigantisch karwei – om te kunnen meten hoe mensen het migrant-zijn beleven. Meestal gaat het dan om minder leuke zaken als gevoelens van afwijzing, rouw, wantrouwen, eenzaamheid en vervreemding. Bij migrant-zijn blijven positieve gevoelens in de minderheid, in ieder geval bij naar Nederland getrokken Turken. Die toevoeging is wel belangrijk, omdat we niet weten of andere migrantengroepen net zo oordelen. Het zou mooi geweest zijn als de vragenlijst ook bij Marokkanen en Surinamers had kunnen worden afgenomen of bij Turken in Duitsland. Dat is natuurlijk wel gemakkelijker gezegd dan gedaan, zeker als je bedenkt dat dit onderzoek in eigen beheer is uitgevoerd. Niettemin, de boodschap is onbedoeld duidelijk genoeg: van emigratie word je niet gelukkig.

Het onderzoek naar de psychische problematiek had eerst en vooral betrekking op de ruim 200 Turken die zich tussen 2003 en 2005 bij de geestelijke gezondheidszorg in Tilburg en omgeving hadden aangemeld. Het zal niet verbazen dat de overgrote meerderheid (80 procent) van hen inderdaad diagnosticeerbare psychische stoornissen vertoonde. (Hoeveel dat bij autochtone Nederlanders is, weten we niet.) Vooral, zeker bij vrouwen, heel veel depressieve stoornissen, maar ook angst- en slaapstoornissen. Een op de drie patiënten uit de steekproef kampt ook met een persoonlijkheidsstoornis – dat is erg veel. Bij mannen veel passief-agressieve problematiek, bij vrouwen eerder dwanggedachten en -handelingen en depressiviteit. Tegen de verwachting in bleken maar weinig mensen de neiging te hebben psychische stoornissen als lichamelijke problemen te presenteren. Can vergeleek ook een steekproef van ‘gewone’ Turken in psychische zin met de gestandaardiseerde gegevens voor de Nederlandse bevolking als geheel. Nu zijn er best kritische kanttekeningen bij de samenstelling van de Turkse steekproef te plaatsen, maar de ‘gewone’ Turken (vooral de vrouwen) hebben ongeveer het profiel van psychische problemen van Nederlanders die voor hulp naar de GGZ gaan. De Turkse patiënten zijn er het slechtst aan toe, dan de gewone Turken, dan de Nederlandse patiënten en daarna gewone Nederlanders.

Ook met de lichamelijke gezondheid zit het niet goed. Van de Turkse GGZ-cliënten geeft 15 procent aan een zeer slechte gezondheid te hebben, 41 procent noemt de eigen gezondheid slecht en nauwelijks één procent zeer goed. De cijfers voor de ‘gewone’ Turken zijn minder extreem, maar vergeleken met onderzoek naar de beleving van Nederlanders van hun gezondheid toch erg problematisch. Ook andere migrantengroepen laten gemiddeld veel betere resultaten zien dan de Turken.

Het gaat wel in alle gevallen om het eigen oordeel en niet om de uitkomsten van medisch onderzoek. We weten dan ook niet of Turken echt zoveel ongezonder zijn dan Marokkanen, Surinamers of autochtone Nederlanders. Het zou kunnen, maar er zijn toch ook wel aanwijzingen dat Turken wat meer hypochondrisch zijn of het in ieder geval gewoner vinden te klagen over hun slechte gezondheid. Ook ‘thuis’ in Turkije is het heel gewoon voor het minste of geringste naar de dokter te gaan. Lichamelijk onderzoek moet uitwijzen of de Turken er echt zo slecht aan toe zijn. Met een steekproef van honderden mensen wordt dat wel een heel dure en tijdrovende zaak. Het zal er dus voorlopig wel niet van komen.

Deze column over wetenschap wordt afwisselend geschreven door de natuurkundige Robbert Dijkgraaf, de socioloog Paul Schnabel (over proefschriften), de voedingsdeskundige Martijn Katan, de neerlandicus Marita Mathijsen en de medicus Piet Borst.