Mijn helden

Ze hebben veel gemeen, Justine Henin en Alberto Contador. Een niet te definiëren weerloosheid in onherbergzame gezichten. Iets van geboortepijn. Niet geoefende wezens in extase, zelfs niet in de goedmoedigheid van een wat liederlijke vreugde. De lippen altijd dun als scheermesjes, de ogen consequent in een schemer van achterdocht. Niet geboende kampioenen: er is wat ruwe cement blijven hangen tussen de slapen van mevrouw en meneer. En niemand krijgt het er nog uit.

Wat ze ook gemeen hebben: een puzzel van woede. Vaak zichtbaar, altijd onuitgesproken. Er zit niet echt een begin aan, en ook geen einde. Ongepolijste emotie. Wereldtop in hun sport, maar enige afblussende aristocratie heeft het succes niet gevolgd. In hun blik, in het lopen en het praten toch dorpelingen gebleven. Vooral geen Franse maniertjes.

Mijn twee helden, nu verenigd in een vrije val.

Dat Justine Henin het tennis vaarwel zegt, doet echt pijn. Het maakt mijn requiemland nóg troostelozer. Dat Alberto Contador in zijn sportieve eer is geschonden, stemt me droevig. Ik moet de bitterheid bijna van me afslaan.

Plaatsvervangend gekwetst in trots zat ik gisteren te wachten op zijn persconferentie. Ik wou het eigenlijk niet zien, niet horen, niet weten. Waarom zou ik? Geen rechter, geen bloedhond van UCI of WADA krijgt mijn liefde voor Alberto klein. De eeuwige moraalfilosofen van het wielrennen in hun perverse jezuïtisme al helemaal niet. Ik spuug ze uit, veeg ze bij elkaar en hang ze op aan ijzerdraad.

Justine.

Mei 2008: tijdens een persconferentie maakte ze bekend dat ze per direct stopte met proftennis. De mededeling ging als schuurpapier over me heen. Maar ik begreep het. De ascese waarin ze zich sinds haar vijfde levensjaar had opgesloten, was helemaal op. Nu moest het petje af, het hart open. En ook maar weer eens normaal menstrueren, zoals meisjes van 25 plegen te doen. Tenslotte: met zeven grandslams achter je naam ben je sowieso legende geworden.

Ook in het afscheid bleef ze het meisje van Wépion. Ze ging niet nog gauw de mythe van de tweetalige Belg naspelen. Zij zou niet, zoals Eddy Merckx, een dubbel huwelijk afsluiten van oui en ja. Pas de cinéma. Ze had wel al een toefje rouge op de wangen – dus klaar voor het grote leven. Maar toen ze de perszaal verliet, moest ik toch weer denken aan het fragiele herderinnetje dat in een oorlogsfilm, met een broodje kaas in het fietsmandje, op weg is naar de helden van het verzet.

Het burgerleven bleek een hobbelcircuit: theatertekstje afdreunen, parade voor Unicef-kindjes, liedje zingen op televisie: evenveel scherven van onbestemdheid. En: de grote liefde bleef uit. Ze kocht een huis, maar in het wiegje lag alleen gravel.

September 2009: Justine kondigde haar comeback aan. Ze was nog niet uitgesproken en ik droomde alweer van haar fenomenale backhand, door John McEnroe de mooiste backhand van het mannentennis genoemd. Ze begon beloftevol, tot in de finale van de Australian Open, maar fysieke ongemakken (aan de elleboog vooral) wilden van geen wijken meer weten. Deze week gooide ze definitief de handdoek.

Justine Henin was altijd eerder het open ruggetje dan de babe van het vrouwentennis. Bloesem tot achter de oren, zoals je dat bij Kim Clijsters ziet, heeft ze ook niet gekend. Maakt niet uit: Madame, je vous aime. Nooit zal er nog een steengroeve van kunst met die poëtische swing aan een baseline staan.

Alberto sprak gisteren in zijn verweer tegen de voorlopige schorsing ook als braaksel van arduin. Rotsige zinnen met een snik. Hij zei dat hij zou blijven vechten, tot het bittere einde. Maar je zag hoe de vernedering knaagde, hoe hij alreeds in schilfers uiteen was gevallen. Ontbladerd, nu dan zonder de gekende façade van onaantastbaarheid.

In steile klim naar wanhoop.

Ik denk zelfs dat hij het liefst Justine achterna was gegaan. Abdiceren, zwijgen, vluchten. Nog hooguit in een smeekbede naar vergetelheid. Terug naar Pinto, waar het echte leven aan de wasdraad hangt, op het balkon.

De wreedheid van sport: ik kan me er niet langer mee verzoenen. Maar ook dat is wishful thinking. Morgen worden de WK veldrijden gereden – en ja hoor, ik heb de voetriempjes al aangesnoerd. Bespat met smurrie en speeksel wil ik zijn. En in de wereldkampioen zal ik me quasi religieus gewassen voelen.

Uiteindelijk ben ik het slachtoffer. Altijd weer nemen een paar modderige, zij het onthaarde benen de volheid van leven over. Ik heb geen pantser tegen sport.