In de jaren 60 overdreven ambassadeurs ook al

In het debat over WikiLeaks wordt in het algemeen veel waarde gehecht aan wat Amerikaanse diplomaten schrijven. Maar zoals NRC Handelsblad 14 januari berichtte: niet alles wat Amerikaanse diplomaten rapporteren is zonder eigenbelang. Integendeel, ambassadeurs – zeker in een klein land als Nederland – willen graag gezien worden op het State Department en hebben de neiging de ontwikkelingen in ‘hun’ land te overdrijven. De dreigende terugtrekking van Nederlandse troepen uit Afghanistan was voor de medewerkers op de ambassade een prachtige gelegenheid zich te doen gelden. Eindelijk deed Nederland ertoe!

Hetzelfde zien we in de jaren zestig toen de Verenigde Staten de (verbale) steun van de Nederlandse bondgenoot hard nodig hadden in hun zo bekritiseerde strijd in Vietnam. Het toenmalige kabinet-De Jong gaf hier graag gehoor aan, maar in het parlement heerste veel verdeeldheid over het Amerikaanse optreden. Volgens de toenmalige Amerikaanse ambassadeur in Den Haag, William R. Tyler, was de situatie in 1968 zo ernstig dat hij in ronkende taal aan Washington berichtte dat Nederland afstevende op een kabinetscrisis.

Maar wat ik ook heb gezocht in Nederlandse archieven, nergens een bevestiging of zelfs maar een aanwijzing in die richting. Ik heb De Jong en toenmalige Kamerleden gebeld, maar niemand kon zich iets herinneren. Er was onenigheid, zeker, maar dat werd uiteindelijk in der minne opgelost. Van een dreigende kabinetscrisis was geen sprake geweest (dat kon ook haast niet omdat kabinetten in die tijd nog niet over buitenlandse kwesties struikelden). Ambassadeur Tyler kon niettemin tevreden zijn, want hij was gehoord. Zijn alarmerende berichten waren voor Washington aanleiding aanzienlijk meer aandacht te schenken aan Nederland, het land waarin hij tot dan toe vrij geruisloos had gewerkt.

Rimko van der Maar

Gepromoveerd op Nederland en de Vietnamoorlog, doet samen met Hans Meijer onderzoek naar topdiplomaat J.H. van Roijen, Utrecht