Goeie ouwe tijd

Nederland, Amsterdam, 1963 Poster van het sigarettenmerk Chief Whip (op ieders lip) met daaroverheen een kleine poster van anti-rookmagier Robert-Jasper Grootveld Foto: Berry Stokvis/HH stokvis/Hollandse Hoogte

Het omslagverhaal van The Economist van de afgelopen week is gewijd aan ‘de rijkaards en de rest’. Een speciale reportage van veertien pagina’s over de elite van deze planeet. Omdat dit weekblad tot de degelijkste en leesbaarste van de planeet hoort en omdat ik, overigens volstrekt vrij van afgunst een wat morbide belangstelling voor ontzettend rijke mensen koester, heb ik het gekocht. Eerst even deze belangstelling. Lang geleden had ik een boek met minder bekende sprookjes. Geen Hans en Grietje, de Wolf en de zeven geitjes, maar vol verhalen die ook voor mijn vader en moeder nieuw waren. Het was geïllustreerd. Een sprookje ging over een man wiens leven beheerst werd door één wens: meer geld. Er stond een plaatje bij waarop je hem zag, met de blik van een waanzinnige aan tafel zittend, voor zijn geldkist. Met beide handen gooide hij goudstukken over zijn hoofd. Mijn geldje! Mijn lieve geldje, riep hij. Zo is het bij mij begonnen. Als ik nu in de trein zit en ik rij langs een wijk met paleisachtige villa’s, dan denk ik altijd even: wat doen ze daar?

Ik hoopte dat The Economist een antwoord zou geven. Het viel tegen. In het eerste verhaal wordt verteld hoe een bankier, Tommy Gallagher, uit zijn kantoor ziet hoe op 11 september 2001 de verwoesting van het World Trade Center zich voltrekt. Hij brengt het er ongeschonden vanaf, maar als hij na een paar weken weer aan het werk wil, merkt hij dat het niet meer gaat. Hij is te diep in de war. Dan hoort hij dat er een vereniging voor zelfhulp bestaat, Tiger 21, waarvan je alleen lid kunt worden als je bezittingen meer dan tien miljoen dollar waard zijn. Hij meldt zich aan en vindt een nieuw levensdoel: filantropie. Nu zit hij in het bestuur van een vereniging die zich de geestelijke gezondheid van veteranen uit Irak en Afghanistan aantrekt.

Een onverwacht goed einde. Over de associatieve verbindingen die in je hersens tot stand komen, heb je niets te zeggen. En zo deed mij dit verhaal denken aan de geniale reclameman Karel Sartory die meer dan een halve eeuw geleden de advertenties voor Castella scheerzeep met het baardwekend recinit heeft bedacht. Iedere keer een andere held. Eerst heeft hij een nederig baantje – winkelbediende, buschauffeur – en dan komt hij een invloedrijk persoon tegen. Die ziet zijn onberispelijk geschoren kaken en dat is het begin van een heel andere carrière. Hij brengt het tot minister-president, opperdirecteur en in ieder geval wordt hij ontzettend rijk. Eerst was ik oppasser in Artis, nu ben ik president van Frankrijk. Die trant.

Ik wilde Karel Sartory opgooglen. Hij heeft geen apart lemma in de Wikipedia, verdient dat wel. Maar al zoekend kwam ik allerlei andere oude reclames tegen, Piet Pelle op zijn Gazelle (dat was een fiets), Chief Whip op ieders lip, en Rexona, de zeep tegen lichaamsgeuren. De Rexona-advertentie bestond uit een stripje. Op de eerste tekening zag je een jongeman avances maken naar een mooi jong meisje. Hij komt dichterbij. Het meisje wendt zich met een gezicht vol walging af. Zou het b.o. zijn? Die afkorting staat voor body odour. Ook las ik dat de Castella-reclame in de oorlog nog verboden is omdat het SS-weekblad Storm had ontdekt dat het lettertype aan Hebreeuws schrift deed denken. Dat soort ideologische muggenzifterij is van alle tijden. En toen, alweer onverwacht, werd ik door de stroom van de vrije associatie op de Wilde Plakker gebracht.

Het moet in de jaren zestig zijn geweest. Wild plakken is het aanbrengen van affiches zonder vergunning van de overheid. Nu zal het wel een soort beroep zijn; toen was het een vorm van kunst. In Amsterdam had je iemand die zich specialiseerde in grote biljetten met niets anders dan poëtische teksten. Ik herinner me: EEN OUD BUFFET MET EEN FOTO VAN MIJN ZOON EROP. Kan het in zo weinig woorden romantischer, melancholieker? Voorzover ik weet heeft deze Wilde Plakker zijn identiteit altijd geheim weten te houden.

In dezelfde periode verschenen, ook anoniem, elegante ijzeren sculptuurtjes in de openbare ruimte. In een boom bij de Marnixstraat in de buurt van de Westerstraat zat op een tak een kleine violist. Aan het Leidsebosje ook een mooi beeldje waarvan ik vergeten ben wat het voorstelde. Allemaal verdwenen. Waar zijn ze gebleven? Staan misschien in een verzameling van iemand die zich dagelijks in het geheim verlustigt aan zijn gestolen bezit. Of ze zijn opgenomen in de collectie van het Historisch Museum. Dat hoop ik maar. Dat zou de op één na beste oplossing zijn, want ze horen buiten te staan.

Ik ben hier, vrees ik, even op zoek geweest naar de goeie ouwe tijd. Vergeefs natuurlijk, want de g.o.t. bestaat niet. Iedere tijd heeft zijn eigen goeie kanten, al zijn ze in deze tijd wat moeilijker te vinden. Blijf zoeken.