De Nederlandse upper class moet zijn isolement verlaten

Nederland had geen dominante adel, zoals Hongarije, maar wel een aristocratische klasse. Die is onder druk van de democratiseringsgolf ondergronds gegaan. Kom boven en geef het goede voorbeeld.

Schrijver, woont in Hongarije. Onlangs verscheen zijn boek ‘Kameraad Baron’ over de vervolgde aristocratie in Transsylvanië. In 2008 verscheen ‘De wet van Spengler’ een roman over opgroeien in een gegoede familie in Nederland.

Nederland heeft het imago een volkomen egalitair land te zijn. Sinds zeven jaar woon ik in Hongarije. Ik voel me een bevoorrecht mens in Boedapest, waar men in het privédomein hoffelijk is en enige afstand tot de medemens behoudt. In mijn vaderland is dat formele verdwenen en lijkt alles bespreekbaar. Alleen één ding is niet bespreekbaar; over klassenverschillen dient men te zwijgen. In Nederland is iedereen namelijk gelijk, die droom mag niet verstoord worden.

Niet zo lang geleden kreeg ik hier in Boedapest een pakketje en een brief van een van mijn beste middelbare schoolvrienden. Al bijna dertig jaar hadden we elkaar niet gezien of gesproken. Het pakketje bevatte een inklapbare vork met een uit been gesneden heft, een verfijnd rank ding, associaties oproepend met de belle epoque, een tijd van picknicks, open auto’s en grammofoonspelers met zwengel. Dertig jaren geleden had hij de vork uit het jachthuis van mijn familie in Twente gepikt.

Mijn schoolvriend schreef: „Zie hier het door mij verduisterde voorwerp, een vooroorlogse zakvork. Voor mij een toppunt van rijkdom. In mijn familie werd er voor de jaren zeventig niet gereisd voor je plezier, laat staan dat je zoiets decadents als een inklapvork zou hebben. Het moest zo zijn dat ik, de kleinzoon van een wever bij Ten Cate, vriendschap kreeg aan een kleinzoon van dé J.F. Scholten uit Enschede. Later begreep ik pas goed welke emancipatie de klasse waaruit ik voortkom heeft doorgemaakt in zo’n korte tijd.”

Voor pubers in de jaren zeventig en tachtig was afkomst geen onderwerp van gesprek. Op school hield je je bek over waar je vandaan kwam. Mijn moeder verbood ons af en toe bepaalde woorden te gebruiken ‘dat zeggen wij niet’ en wees erop dat we ons op een zekere manier dienden te gedragen, maar verder was er weinig verschil met mijn klasgenoten. We woonden in een rijtje aaneengesloten huizen van donker baksteen, net als iedereen. Twee van mijn drie beste vrienden op de middelbare school kwamen uit arbeidersmilieus. Met de vriend die me de brief schreef maakte ik lange tochten op de fiets, onder andere naar het landgoed van mijn grootouders tussen Oldenzaal en Enschede. Daar werkten we bij de jachtopzichter en logeerden in de klamme jachthut die was behangen met geweien en foto’s van jagende familieleden. De inrichting bestond uit overgeschoten banken en versleten stoelen waar muizenfamilies zich in nestelden en luid piepend de liefde bedreven. Dat mijn vriend de kleinzoon van een arbeider uit de Twentse textielindustrie was, wist ik niet. We deden typetjes uit Koot & Bie na. Afkomst was een non-item, vriendschap was waarom het ging, maar – zo blijkt uit de brief dertig jaar na dato - voor mijn vriend was het geen non-item.

Ruim twee maanden geleden verscheen Kameraad Baron een boek over de aristocratie in Transsylvanië. Tegelijkertijd werd het eerste deel van Oostwaarts! uitgezonden, een televisieserie over Oost-Europa. Die eerste aflevering ging over de vernietiging van de aristocratie in Hongarije en Transsylvanië tijdens het communisme en over de bescheiden aristocratische renaissance nu. De reacties die de uitzending opriep waren opmerkelijk. Een kleine lawine van misnoegen en verdriet dat de VPRO zoiets had kunnen uitzenden en ik zo’n boek had durven schrijven werd over de omroep en mij uitgestort. De verongelijkte toon van de reacties maakte duidelijk dat ik met boek en televisie-uitzending een gevoelige snaar raakte. Ik overtrad één van Nederlands schaarse taboes.

Van 22 tot 27 september 1947 werd bij een bijeenkomst in Szklarska Poreba, een skioord in het zuidwesten van Polen, de Kominform (het internationale informatiebureau van de communistische partij) opgericht. Bij die gelegenheid riep Stalin op tot een hernieuwde klassenstrijd. De leiders in de satellietstaten waren er op gebrand te tonen goede leerlingen van Stalin te zijn (ze moesten wel, met de minder volgzame leerlingen liep het meestal slecht af). Zij openden na de peptalk in Szklarska Poreba de jacht op de klassenvijanden: aristocraten, bourgeoisie, ondernemers, kulaks, monarchisten, trotskisten, anarchisten – kortom iedereen met een afwijkende mening.

De soevereine adel – de archetypische klassenvijand – diende als eerste van de aardbodem te verdwijnen. In Roemenië en Hongarije werden in 1949, 1950 en 1951 grootschalige razzia’s gehouden op adel, grootgrondbezitters, rijke boeren (kulaks) en grootburgers. Zij werden verzameld en naar een aantal Roemeense provinciesteden en ‘sociale kampen’ in een uithoek van Hongarije gedeporteerd. Zij kregen de aantekening klassenvijand in hun identiteitspapieren, werden buiten de samenleving geplaatst en mochten voortaan alleen nog zwaar handwerk doen. De geheime diensten (de AVO in Hongarije en de Securitate in Roemenië) volgden hen nauwlettend en gebruikten hen als zondebok. Bij de geringste misstap, maar ook vaak zonder aanleiding, verdwenen zij in werkkampen, gevangenissen en martelkelders.

Eind jaren veertig werd op de scholen in de satellietstaten van de Sovjet-Unie lesmateriaal geïntroduceerd op marxistisch-leninistische grondslag waarin de edelen steevast als ‘parasieten’ en ‘uitbuiters’ werden geportretteerd. Mijn schoonvader werd als kind, stammend uit de Hongaarse adel, in de klas naar voren gehaald als voorbeeld van een ‘uitbuiter’ en mocht dan door de andere kinderen bespuugd worden. Kata Ugron, die twee jaar jonger is dan ik, telg uit een adellijk Transsylvaans geslacht, vertelde hoe zij halverwege de jaren zeventig als klein meisje voor de klas moest komen en de lerares haar dan ten voorbeeld stelde als een ‘vijand’ met wie de andere kinderen niet moesten spelen. Dit vijandbeeld is zo grondig uitgedragen – herhaling is de kracht van de reclame tenslotte – dat de man in de straat in Hongarije en Roemenië niet beter lijkt te weten dan dat de adel het kwaad zelve was.

In Nederland bezat de adel niet de dominante rol als in Oost-Europa, maar er was wel, tot zestig jaar geleden, een machtige bovenlaag; het patriciaat: regenten, gouverneurs, handelaren, bankiers, industriëlen, families die dankzij de koloniën of de Nederlandsche Handel-Maatschappij vermogen hadden opgebouwd. Daarnaast bestond een sterke hiërarchie binnen de verschillende politieke en religieuze zuilen, met aan de top van iedere zuil de eigen elite. De toespraak van Stalin in Zsklarska Poreba bereikte met enige vertraging West-Europa. In de jaren vijftig begon ook hier de klassenstrijd: tot de elite behoren en elitair gedrag waren niet langer acceptabel. Daarnaast brokkelde het verzuilde systeem langzaam af. De Nederlandse upper class deed water bij de wijn: het benadrukken van klassenverschil, het uitoefenen van autoriteit, het tonen van rijkdom of macht en het uitoefenen van een voorbeeldfunctie gebeurde niet langer publiekelijk. Sindsdien leven we in een schijnbaar klassenloze maatschappij. Wat Nederland ooit als equivalent bezat aan ‘aristocratie’ – een handvol edelen, het patriciaat, de gegoede burgerij – ging ondergronds.

Dat water bij de wijn doen (tezamen met andere maatschappelijke en technische ontwikkelingen) heeft veel goeds gebracht, ondermeer de razendsnelle emancipatie van de klasse waar mijn schoolvriend over schreef. De verworvenheid is dat in Nederland de kansen behoorlijk eerlijk verdeeld zijn. Wanneer je een talent bezit en dat wilt ontwikkelen kan dat, en meestal ook tot op het hoogste niveau, onafhankelijk van je afkomst. In maatschappelijk opzicht toont de klassenmaatschappij zich hooguit in de vorm van negatieve discriminatie. Stammend uit een familie die ooit invloed of rijkdom bezat zul je extra je best moeten doen om voor een publieke positie of publiek eerbetoon in aanmerking te komen. Voor de rest heeft de klassenmaatschappij zich volledig teruggetrokken in het privédomein.

Voordat ik naar Boedapest verhuisde woonde ik enkele jaren in Bloemendaal. Daar heb ik de economische bovenlaag in het overgangsgebied tussen publiek en privéleven van nabij gadegeslagen. Het viel me op dat bij het hek van de Bloemendaalse School Vereniging iedereen heel gezellig en beleefd met elkaar babbelde. Maar er was een onderhuidse pikorde: wie je wel en wie je niet bij je thuis uitnodigde, wie wel en niet lid kon worden van de Kennemer Golf & Country Club, wie je bij elkaar aan een tafel kon zetten en wie niet. Een buitenstaander zou het op de stoep staande kluitje wellicht over één kam scheren, maar de classificatie in die groep ouders bij het hek bestond, als bij een goede spekkoek, uit vele dunne laagjes.

Die subtiele demarcatielijnen hebben niets met geld te maken, maar met geboorte, contacten en opvoeding. De eenvoudigste diskwalificatie ligt in verkeerde tafelmanieren of in zoiets surreëels als het zeggen van ‘stropdas’, ‘pantalon’, ‘tapijt’, ‘brood’. Eigenlijk is taal het laatste bastion van deftig Nederland.

Hoe lastig het is je de klassenbepaalde vocabulaire eigen te maken toonde een televisieserie over de koninklijke familie waarin de actrice die prinses Margriet speelt, aan tafel ‘eet smakelijk’ zegt. Mijn uitgeverij huurt persklaarmakers en correctoren in die vlak voordat mijn boek naar de drukker gaat ‘huwelijk’ in ‘bruiloft’ veranderen, ‘auto’ in ‘wagen’ en ‘zitkamer’ in ‘woonkamer’.

De sociale bovenlaag vertelt veel over een samenleving – zoals de kruin van de boom de indicator is of ie gezond is of op sterven staat. In een artikel over Engelse voetbalhooligans werden hun misdragingen verklaard uit de strikte Engelse maatschappij waar iedereen in zijn klasse gevangen zit en de upper class zich zo in de plooi moet houden, dat de overdruk van het gehele systeem niet anders dan door het ventiel aan de onderzijde kan ontsnappen. Ik vermoed dat de geraffineerde buitensluiting die de Nederlandse sociale bovenlaag toepast feilloos verticaal wordt doorgegeven. De sociale opwaartse mobiliteit in Nederland is nihil. Doordat die zich buiten het publieke domein afspeelt wordt er niet over gesproken, maar achter het masker van de egalitaire samenleving bestaat er een schaduwrijk met een haarfijne sociale classificatie. En dat bepaalt voor een niet onbelangrijk deel het sociale weefsel in Nederland.

Wie ben je? Waar kom je vandaan? Waar ben je naar op weg? Het zijn de meest basale vragen, maar in Nederland hoor je er niet naar te vragen en niet over te spreken, om niet als een verwaande kwast voor de dag te komen. We zijn daardoor niet alleen een in sociaal opzicht vastgeroest land geworden, maar ook één zonder geschiedenis. Het is alsof al die bleke Hollanders net uit de sloot tevoorschijn zijn gestapt, zonder familie, zonder voorgeschiedenis, blanco, waterig en een beetje saai, ontsproten uit kikkerdril. Die zogenaamde klassenloze maatschappij heeft ons flets en kleurloos gemaakt.

Mijn oude schoolvriend schreef: „Waarom knaagde dit vorkje zo aan me? Het kwam door jouw beschrijving van oma. Daar waar je verhaalt over het geld dat deze laat slingeren om jullie te testen. Dat vorkje is niet van mij. En ik voel mij met terugwerkende kracht enigszins beschaamd doordat ik het vertrouwen van opa en oma Scholten heb geschonden door het mij toe te eigenen. Op een bepaalde manier was het misbruiken van gastvrijheid. Ze voorzagen mij van onderdak, voedsel, vakantiewerk, ongeplukte eenden aan de deurknop. Ik denk met warmte terug aan die tijd.”

Terug naar de eerder genoemde Golf & Country Club in het westen van het land. Om daar lid te worden moet je worden voorgedragen door een aantal leden en beoordeeld door een ballotagecommissie. Het houdt de steenrijke makelaars en projectontwikkelaars, het schreeuwerige nieuwe geld buiten de deur en de brandweerrode Ferrari’s en pimpelpaarse Bentleys van de parkeerplaats. Prima systeem. Maar dan wil een uiterst begaafde voetballer – ik zal geen namen noemen maar in 1988 op het EK in Duitsland maakte hij de meest weergaloze goals die ik ooit zag – lid worden. Het is een speler die welbespraakt is, intelligent en een uitstekende golfer. Maar hij kon geen lid worden. Hij werd geweigerd. Niet de juiste connecties en familie. Het gaat niet om de club of de man, maar om het principe. Iemand die in zijn vakgebied tot de allerallerbeste in de wereld behoorde en veel zou kunnen toevoegen aan een club (het inspireren van teams, het aansporen en coachen van de jeugd, etc.) wordt buitengesloten. Het is een klassiek voorbeeld van waarom het ontbreken van sociale opwaartse mobiliteit contraproductief werkt.

De man zonder geld en invloed denkt dat hij het geluk zal vinden als hij vermogend is, maar nadat hij zich een heel of een half leven uit de naad heeft gewerkt en zich een vrijstaand huis met zwembad in Blaricum of Aerdenhout kan permitteren, merkt hij dat hij – zoals Martin Morero in Gooische Vrouwen – nog altijd niet serieus wordt genomen en dat het in Diemen of Nieuwegein eigenlijk gezelliger was. De man met zichtbaar geld is per definitie een parvenu. Ooit vermogend of ooit belangrijk zijn geweest is de ware superioriteit: wel de verhalen, de mijmeringen, de herinneringen aan een Shangri-La, niet de lasten, de banaliteit en verveling van materie en succes.

De oude traditionele sociale bovenlaag van Nederland – zeg maar de mensen uit het rode (adel) en het blauwe boekje (patriciaat) – is, net als de Nederlandse multinational en de witte neushoorn, een uit- en afstervende soort, die elkaar herkennend aan omgangsvormen, grapjes en woordgebruik in met rietbedekte clubhuizen van Golf & Country clubs in de duinen en gentlemenclubs rond de Lange Voorhout ontmoet. Wanneer die sociale bovenlaag het opkomende nieuwe geld en talent zou toelaten, en hun en passant mores, tradities en goede smaak leert, behoudt die bovenlaag relevantie. Want hij staat dan midden in het leven, dichter bij macht en invloed. Wanneer de maatschappelijke en de sociale bovenlaag samenvalt, zoals vroeger, heeft dat het voordeel van de sociale controle. Bij slecht gedrag – handelen met voorkennis, belastingontduiking, oplichterij, zaken doen met verkeerde mensen – loopt men dan het risico van sociale uitsluiting. Dat is in het verleden een werkzaam systeem gebleken. En dat ontbreekt nu.

De adel zoals ik die aantrof in Hongarije maar vooral in Roemenië is, uitgezonderd van hen die terugkeerden uit de diaspora, totaal verarmd. Vooral de ouderen balanceren vaak op de armoedegrens, levend in van de betonrot uit elkaar vallende stalinistische ‘Bloks’, deprimerende flats in buurten waar je verdwaalt doordat de straten niet uit elkaar te houden zijn. Begin jaren vijftig is in Oost-Europa een vlijmscherpe incisie tussen verleden en heden getrokken. De adel werd verjaagd en hun bezit – huizen, landgoederen, schilderijen, bibliotheken, familiearchieven, fotoalbums – werd in beslag genomen, gestolen of vernietigd. De weg terug werd afgesloten.

In De Tijgerkat beschrijft Guiseppe Tomasi de Lampedusa hoe na de verdrijving van de leeuwen (de Siciliaanse aristocratie) de wolven (de maffia) komen. In Oost-Europa zijn na de vernietiging van de aristocratie de hyena’s de dienst gaan uitmaken. En in zekere zin zijn ze dat ook blijven doen na de omwentelingen van 1989. In de postcommunistische landen bestaat de huidige elite voor een groot deel uit mensen die hun rijkdom op oneigenlijke wijze vergaard hebben. Het is een elite, meestal voortgekomen uit de communistische nomenklatura, die tracht het monopolie op de macht, de informatie en de media te behouden.

Wie te openlijk kritiek uit op de machthebbers verliest zijn baan, zijn pensioen of wordt anderszins belemmerd in zijn bestaan. Vooral ouderen zijn bang. Bij het werken aan ‘Kameraad Baron’ opende zich voor mij een onbekend, paranoïde universum. Een 87-jarige Hongaarse baronesse vertelde me hoe zij eind jaren veertig regelmatig door de AVO van bed werd gelicht en naar een vrijstaand huis in het tweede district van Boedapest gebracht, waar zij werd verhoord en gemarteld. Drie jaar geleden op een ochtend van de supermarkt naar huis lopend, kwam ze op straat haar voormalige folteraar tegen. Ze herkenden elkaar direct. De man verdween een portiek in.

Zolang de daders leven en bescherming genieten is de zwijgzaamheid en angst van oudere Hongaren en Roemenen begrijpelijk. Het zijn verwonde samenlevingen. Enkele maanden geleden, op 25 oktober vorig jaar, is er voor het eerst, zestig jaar na de deportaties, in Boedapest een monument voor de gedeporteerde klassenvijanden onthuld, een marmeren driehoek. Het staat in een winderig parkje dichtbij de Donau. De staatssecretaris die het beeld onthulde vertelde bij de onthulling dat hij tot vijftien jaar geleden nog nooit een woord over de deportaties gehoord had. Het monument is de eerste stap naar rehabilitatie van een halve eeuw lang verguisde en doodgezwegen groep.

In 2009 deed ik bij de afdeling Sociale Antropologie aan de Central European University in Boedapest een onderzoek en schreef een thesis met de titel: From Ballroom to Basement; the Internal Exile of the Hungarian Aristocracy in Transylvanië. In Nederland zijn wij gezegend met een geschiedenis die al eeuwen vrediger en gelijkmatiger is dan die in Hongarije of Roemenië. Toch lijkt het erop alsof de traditionele Nederlandse upper class, net als de bovenlaag van de verre oosterburen, al decennialang in interne ballingschap verkeert. Sinds het ondergronds gaan in de jaren vijftig en zestig is die klasse bevroren, in zichzelf gekeerd, in splendid isolation. Een verscholen, gestolde elite in een verborgen klassenmaatschappij. In Hongarije en Transsylvanië tracht de voormalige bovenlaag nu op zeer bescheiden wijze uit ballingschap terug te keren. Misschien moet de traditionele elite in Nederland hetzelfde doen – en kan zij bijdragen aan de cohesie van het land.

Mijn oude schoolvriend sloot zijn brief zo af: „Ik vond het een prachtig voorwerp. Ik heb het overigens nooit gebruikt; het lijkt me ook niet echt handig. Nu is de tijd gekomen om deze vork te laten terugkeren in de rechtmatige familie. Een familie die me heeft laten kennismaken met een wereld die ik niet kende. Een kennismaking die zeker heeft bijgedragen aan mijn vorming. In plaats van een dankjewel verduisterde ik een vork... Gelukkig kan je altijd terugkomen op je daden en dingen rechtzetten. Bij deze.”