De Hollandse kip heeft te veel poten

Het Hollandse kippetje krijgt iets meer ruimte in de stal. Maar rennen zal het niet.

Wie wel eens een overvolle kippenstal van binnen gezien heeft, vlak voordat de kippen naar de slachterij gaan, die weet hoe ongelofelijk veel van die vleesklompjes zich daar per vierkante meter kunnen ophouden. Uit oogpunt van diervriendelijkheid heeft de overheid nu de regel uitgevaardigd dat het vanaf 1 februari 2011 niet meer dan 42 kilo per vierkante stalmeter mag zijn. Of als het tegenzit voor de veeboer nog maar 33 kilo per vierkante meter. Dat hangt van de ‘bruikbare vloeroppervlakte’ af en ook die is precies berekend volgens de formule 1000 minus 1,7%. Heeft u de pech een kippenkweker te zijn dan dient u de overheid in kennis te stellen van uw KIP-nummer, uw relatienummer bij de dienst regelingen, uw stalnummer, het adres van de stal, de door u gekozen bezettingsgraad, de bruto vloeroppervlakte en het bouw- of verbouwjaar van de stal.

Dit om de zaken overzichtelijk te houden.

Helaas gaat er bij de kippenkweek veel mis.

In het algemeen gesproken geldt de vuistregel dat ze tijdens hun korte leven van een veertig gram donzig kuikentje binnen een ruime maand uit moeten groeien tot vleesklompjes in verenpak van twee kilo. Dat doen ze zonder het daglicht te zien en zonder redelijk op hun pootjes te kunnen lopen. Tijdens hun leven komen ze voor 5,58% voortijdig te overlijden. Je loopt door zo’n stal, een kip springt tegen je op, het volgende ogenblik ligt hij voor dood op de grond. Het hartje kan het moordende groeitempo niet aan.

Algemeen wordt aangenomen dat de Nederlandse vleeskip economisch gezien te veel poten heeft. De filetjes raken de supermarkten nog wel kwijt, maar de rest van de kip is economisch niet in trek.

Een belangrijke vraag is of kippen die in 56 dagen groot mogen groeien ziekelijker, net zo gezond of gezonder zijn dan beesten die het in 36 dagen moeten klaarspelen. Vastgesteld is dat de snelgroeiende kippetjes vaker dood neervallen dan hun langzamer broertjes en zusjes. Een boerenkip loopt al een stuk beter. Een biologische kip rent.

In Frankrijk deed een kippenonderzoeker onderzoek naar de smaak van kip. De grens lag bij veertig jaar. Boven de veertig vond het doorleefde kippetje het lekkerst. Alle jongeren gaven de voorkeur aan het industriekippetje. Die hadden malser en zachter vlees, zodat ‘hun mond niet zo hard hoefde te werken’.

In de stal die ik bezocht overleefden honderdzestig kuikens hun eerste week niet. Pas bij duizend dooien belt de boer naar de broederij waar hij de kuikens gekocht heeft. Die vergoedt de schade.

Als ze eindelijk rijp zijn voor de slacht hebben de drie kippetjes die ik ooit volgde, Anja, Manja en Tanja, voor 72 cent aan voer opgeschrokt, voor 11 cent water gedronken, elektra verbruikt en inentingen gekregen. Toen ze als kuikentje bij hem binnenkwamen moest de kippenboer voor elk beestje 28,5 cent neertellen. Nu ze volgroeid zijn doet hij ze voor 140 eurocent van de hand.

Dat is het probleem met het Hollandse kippetje. De boer mag al blij zijn als hij aan de kweek een kwartje per kip overhoudt.

In de stal die ik bezocht lag de norm ver onder de waarde die zojuist door de overheid werd voorgeschreven. In die toch behoorlijk overvolle stal hadden 23 volgroeide kippen de beschikking over één vierkante meter. In vergelijking daarmee zijn de nieuwe normen mild te noemen. Of te ruim.

Uiteindelijk moeten er mannen uit Friesland aan te pas komen om de kippen te vangen en in kratten te proppen. Dan gaan ze op reis naar de slachterij, niet zelden aan de andere kant van het land.

Soms begreep ik de mannen die zich met de kippenkweek bezighouden niet. De directeur van de broederij waar ze vandaan kwam bleek een beginnend zen-boedhist. Hoe verbond zo iemand zijn levenskijk met de kippenkweek?

Ik vroeg het hem.

Soms, zei ik, groeien ze zichzelf dood.

‘Ja’, zei die directeur die zijn kuikens in een ruime maand twee kilo zag worden.

‘Misschien verdring ik wel te veel’.