Dankzij de echo worden er minder levens beëindigd

Christelijke partijen grijpen elke aanleiding aan om abortus verder te beperken. Nu is het de vroegere levensvatbaarheid van de foetus. Dat is struisvogelpolitiek, want dan schiet de babysterfte omhoog.

Ultrasound scan Image Source

Journalist bij de VPRO. Zijn boek ‘Echo – Prenataal onderzoek en keuzevrijheid’ verschijnt 9 februari bij uitgeverij Augustus.

Het CDA wil abortus beperken tot de eerste 22 weken van de zwangerschap in plaats van de huidige 24 en vindt daarbij de ChristenUnie en de PVV aan zijn zijde. Aanleiding is een nieuwe richtlijn van kinderartsen die stelt dat extreem vroeg geboren baby’s al vanaf 24 weken actief in leven gehouden kunnen worden. Daarmee komen de abortusgrens en het moment waarop de foetus levensvatbaar wordt geacht, vrijwel gelijk te liggen. Hoewel levensvatbaarheid in dit verband een relatief begrip is – het overgrote deel van de baby’s sterft alsnog of gaat ernstig gehandicapt door het leven – is het een goede aanleiding om de ontstane praktijk nog eens te bezien.

Zolang ouders de tijd krijgen om een weloverwogen besluit te nemen op basis van zoveel mogelijk informatie, is het ook helemaal niet erg als de praktijk wordt aangepast aan nieuwe ontwikkelingen. Maar het huidige gesteggel over de abortusgrens gaat geheel voorbij aan de onderliggende motieven. De ChristenUnie, de SGP en de PVV hebben – anders dan het CDA – namelijk al veel vaker voorgesteld die abortustermijn te vervroegen, ook toen er helemaal nog geen sprake was van vervroegde levensvatbaarheid.

Nog geen jaar geleden vormde een onderzoek van TNO Preventie & Zorg, waarin een toename van late abortussen werd gesignaleerd sinds het invoeren van de 20-weken-echo, aanleiding voor een vergelijkbaar pleidooi: het vervroegen van de abortusgrens, liefst naar achttien weken of nog eerder. De aanleiding verschilt steeds, maar het achterliggende doel is telkens hetzelfde: zwangerschappen moeten niet langer worden afgebroken omwille van een ernstige aandoening.

Het CDA houdt zich doorgaans opvallend op de vlakte. Noodgedwongen heeft die partij zich in het abortusdebat de voorbije decennia soms pragmatisch moeten opstellen, al was het maar omdat deze partij zelf medeverantwoordelijk is voor de Abortuswet, dertig jaar geleden, een moeizaam tot stand gekomen compromis tussen het CDA en de VVD, en ook deel uitmaakte van het kabinet-Balkenende III dat zonder noemenswaardige discussie de 20-weken-echo invoerde.

Politici kunnen misschien nog eens kritisch terugblikken op het invoeren van die 20-weken-echo. Terwijl over testen voor de zwangere moeder, zoals de combinatietest, jarenlang is gesteggeld – bijvoorbeeld omdat deze de zwangerschap onnodig zou medicaliseren – werd de 20-weken-echo in januari 2007 vrijwel voetstoots ingevoerd. Ook achteraf verbazen vriend en vijand zich erover dat er nauwelijks maatschappelijk debat is geweest. Uit de vele gesprekken die ik voor mijn boek Echo heb gevoerd, rijst het beeld op van een ontwikkeling die niet te stoppen was.

CDA-politici erkennen dat het ontbreken van noemenswaardig verzet van hun kant was ingegeven door realiteitsbesef. Nederland, decennialang uiterst terughoudend op het vlak van prenatale screening, was begin deze eeuw een van de weinige Europese landen waar het nog geen praktijk was om zwangeren minimaal één keer een echo aan te bieden. In 2003 bleek bovendien uit onderzoek dat de sterftecijfers rond de geboorte in ons land schrikbarend hoog waren. Minstens zo belangrijk was dat de echo intussen in rap tempo gemeengoed was geworden, mede dankzij de opmars van commerciële bedrijfjes die pretecho’s aanboden. Een echo werd in de beleving in de eerste plaats een feestelijke gebeurtenis, bedoeld om alvast een band met je kind te krijgen. Van dat breed gedeelde sentiment konden medisch specialisten en beleidsmakers dankbaar gebruikmaken. Ze sloegen twee vliegen in een klap: de wildgroei aan pretecho’s werd in goede banen geleid, en er was meteen een instrument waarmee iedere zwangere structureel gescreend kon worden.

Een van de redenen om de 20-weken-echo in te voeren was nu juist om het aantal extreem late abortussen (na de 26e week) en levensbeëindigingen van ernstig zieke pasgeborenen baby’s te doen dalen. Dat is gelukt. Nu veel van de aandoeningen die leiden tot een ernstig gehandicapt leven al gedetecteerd worden vóór de foetus levensvatbaar is, vinden nauwelijks meer zwangerschapsafbrekingen plaats na de 24e week. Niemand is erbij gebaat als we terugkeren naar de praktijk van voor de echo. Dan tonen de statistieken straks weliswaar weer lagere abortuscijfers, maar schieten de sterftecijfers van pasgeborenen weer omhoog en gaan artsen in voorkomende gevallen over op levensbeëindiging van pasgeborenen. Veelal in het geniep, uit angst voor de strafrechter. Daarom getuigt het huidige debat over het verlagen van de abortusgrens van struisvogelpolitiek.

Medici, wetenschappers en politici hebben gezamenlijk een beleid gecreëerd waarin keuzevrijheid van ouders het adagium is. Dat leidt, kan ik uit eigen ervaring vertellen, tot ingewikkelde situaties. Vijf jaar geleden stonden mijn vrouw en ik voor de keuze of we de zwangerschap wilden voortzetten toen bleek dat ons kind meervoudig gehandicapt geboren zou worden. De zwangerschap werd na weken van twijfel afgebroken, maar de vragen bleven. Waar je vroeger een ernstig gehandicapt kind met pijn en moeite wist te ervaren omdat het je overkwam, heb je nu als ouder voor dat leven gekózen.

Ik kan daar kritisch over zijn, en dat ben ik ook, maar tegelijkertijd bekruipt mij aldoor de vraag: wat is het alternatief? Tenzij we de voortschrijdende technologie volstrekt negeren zijn alle denkbare alternatieven op z’n minst gebrekkig te noemen. Ofwel we leven verder met de illusie dat we in dit leven een regierol kunnen hebben, ofwel we draaien de klok terug en aanvaarden lijdzaam wat het lot voor ons in petto heeft. Geen van beide is een lonkend perspectief.

De ironie is dat juist nieuwe technologie op het gebied van prenataal onderzoek mogelijk uitkomst kan bieden. Aan de ene kant zie je dat door nieuwe bevruchtingstechnieken, vaak toegepast op een leeftijd waarop de biologische klok al is uitgetikt, de acceptatie van ernstige handicaps juist kan toenemen. Het feit dat het gaat om je enige en laatste kans op een kind kan de bereidheid om ernstige aandoeningen te accepteren beïnvloeden. Tegelijkertijd breiden de mogelijkheden voor prenataal onderzoek zich in rap tempo uit. Met de introductie van zogeheten preconceptietesten, waarbij ouders met een kinderwens getest worden op het dragerschap van een ziekte, zullen ouders in de nabije toekomst vaker voor de vraag komen te staan of ze überhaupt wel aan zwangerschap willen beginnen. Maar ook de mogelijkheden om te speuren naar aandoeningen tijdens de zwangerschap dijen steeds verder uit. Over enkele jaren kan de foetus vermoedelijk getest worden via DNA-analyse van het bloed van de moeder, er komen whole genome-testen voor zwangeren en er wordt gezocht naar mogelijkheden om een 12-weken-echo in te voeren die een deel van de ernstige aandoeningen die nu pas bij 20 weken aan het licht komen al kan detecteren. Hoewel die nieuwe tests, als ze beschikbaar komen, alle weer nieuwe morele en medische vragen oproepen, hebben ze op voorhand zonder uitzondering één groot voordeel: ze kunnen in een veel vroeger stadium tijdens de zwangerschap plaatshebben. Zolang niemand verplicht wordt al die tests te ondergaan, laat staan vervolgens een keuze wordt opgedrongen, is iedere ouder die voor het ingewikkelde dilemma van een zwangerschapsafbreking wordt geplaatst daarbij in ieder geval gebaat. Tot het zover is, zouden we er goed aan doen ouders die voor een haast onmogelijke keus staan niet verder onder druk te zetten.