Biodieselproblemen

Er is te weinig afgewerkt frituurvet om substantieel biodiesel te produceren. Dus halen Nederlandse fabrieken de afgewerkte olie uit het buitenland. Karel Knip

Er komt een glycerolgolf op ons af. Wie de grondstoffenmarkt kent, kan de voortekenen niet missen. Je zag het laatst opeens bij die Duitse biodieselfabriek Petrotec die genoemd wordt als de – vermoedelijk onschuldige – bron van de huidige dioxinevervuiling. Men produceerde biodiesel en wat vrije vetzuren maar had ook zomaar glycerol in het verkoopprogramma. Het is het enige bedrijf niet, de stroom neemt per jaar toe. In de Verenigde Staten wordt al onderzocht hoeveel glycerol door varkensvoer gemengd kan worden voor de dieren er misselijk van worden. Bij Delfzijl is een bestaande methanolfabriek overgeschakeld van de verwerking van aardgas naar de verwerking van glycerol.

Het is niet érg, al dat glycerol, het vindt zijn weg wel, maar het is misschien wel het duidelijkste teken dat er ongekende veranderingen plaats vinden binnen de landbouw. Ze hebben te maken met bezorgdheid over het broeikaseffect en de angst voor klimaatverandering. En voor wat de Amerikanen betreft: ook of vooral bezorgdheid over een te grote afhankelijkheid van de olieproducenten van de OPEC-landen.

Dit heeft ertoe geleid dat op steeds grotere schaal biobrandstoffen worden geproduceerd. Bio-ethanol (alcohol), voor bijmenging in benzine, uit suikerriet, maïs en tarwe. Biodiesel, als vervanger van gewone diesel, uit plantaardige oliën zoals die van koolzaad, soja en de oliepalm. Om toch iets te doen aan de almaar stijgende CO2-uitstoot van de Europese Unie is een richtlijn uitgebracht die bepaalt dat in 2020 tien procent van alle transportbrandstof biobrandstof moet zijn. Europa maakt vooral werk van de productie van biodiesel. Het is bij dat proces dat al die glycerol vrijkomt.

STRUCTUUR

Alle natuurlijke vetten en oliën bestaan uit verbindingen tussen vetzuren en glycerol in een kenmerkende structuur die een esterverbinding wordt genoemd. Bijna steeds zijn daarbij drie lange moleculen vetzuur aan één molecuul glycerol gekoppeld, bij planten en dieren net zo goed als bij bacteriën. Het glycerol is een driewaardige alcohol dat in zijn eigenschappen meer op een suiker dan op een alcohol lijkt. De aard van vet en olie wordt vooral bepaald door de eigenschappen van de vetzuren. Zijn de vetzuren verzadigd dan is de ester meestal vast (een vet), zijn ze onverzadigd dan is hij vloeibaar (een olie).

De bestaande dieselmotoren zijn niet ingericht op de verbranding van natuurlijke vetten en oliën als zodanig. Bij voorkeur heeft men de vetzuren in de biodiesel los van elkaar aan steeds één eenvoudig alcohol gekoppeld, in de praktijk is dat meestal methanol. De productie van biodiesel verloopt daarom ruwweg volgens bijgaand schema. Het proces wordt ‘omestering’ of ‘transesterificatie’ genoemd. Plantenolie reageert met methanol tot diesel en glycerol.

Nog net voor Europa zich volledig had uitgeleverd aan deze dieselproductie drong het besef door dat grootschalig productie van biobrandstof uit koolzaad, soja en palmpitten minder op CO2-uitstoot bespaart dan het leek. Tractoren en biodieselfabrieken produceren ook CO2, maar de nekslag kwam van het besef dat de dieselproductie zó sterk concurreert met voedselproductie dat onvermijdelijk natuurgrond moet worden ontgonnen om het bestaande landbouwareaal uit te breiden. Denk aan regenwouden, savannen en prairies. Daarbij gaan ongekende hoeveelheden CO2 de lucht in.

Het nieuwe idee is nu om de diesel te produceren uit afgewerkte frituurolie. In Europees verband is er voor geijverd door de vorige milieuminister Jacqueline Cramer en in Nederland heeft de commissie Duurzaamheidsvraagstukken Biomassa (commissie Corbey) deze weg aangewezen. Afgewerkte frituurolie bezit nog veel van de eigenschappen van de oorspronkelijke plantaardige oliën waaruit ze werd bereid, vooral als ze nooit te heet is geweest, niet te veel water heeft opgenomen en niet te lang in gebruik was.

Gebruik van afgewerkte frituurolie is een prachtige oplossing, maar een oplossing met bezwaren die wel eens groter kunnen worden dan de voordelen. In de eerste plaats ís er eigenlijk helemaal niet zoveel afgewerkte frituurolie om ons heen. De Groningse studente Aukje Zijlstra heeft twee jaar geleden een inventarisatie gemaakt van de stroom. Zij schat dat er 60 kiloton afgewerkte olie komt uit de horeca, 10 kiloton van de aardappelverwerkende industrie en misschien 43 kiloton uit huishoudens. Alles bijeen 113 kiloton, overeenkomend met zo’n 8 liter olie per hoofd van de bevolking. “Als je het per hoofd uitrekent zie je hoe weinig het is”, zegt stagebegeleidster Sanderine Nonhebel.

Zijlstra ontdekte ook dat de afgewerkte olie van horeca en aardappelverwerkers rechtstreeks doorstroomde naar de klassieke zeepindustrie. Wat de consument overhoudt van het zelf frituren, belandt meestal in riool of vuilnisbak. Toch heeft Nederland inmiddels al drie fabrieken die dieselolie uit afgewerkt frituurvet of frituurolie produceren: Greenmills in Amsterdam, Sunoil in Emmen en Biodiesel in Kampen.

Het kan niet anders betekenen dan dat zij de afgewerkte frituurolie buiten Nederland inzamelen. (De bedrijven waren, zo kort na dioxinekwestie in Duitsland, niet mededeelzaam.) Zijlstra ontdekte inderdaad ook importen van afgewerkte olie. Het is niet denkbeeldig dat de superduurzame biodieselproductie stromen afgewerkte olie op gang brengt waar makkelijk verkeerde olie tussen sluipt. In de verwerking van afgewerkte minerale olie (van bijvoorbeeld schepen) is in Nederland in het verleden veel misgegaan. In 1999 had een Belgische vetsmelterij ook transformatorolie door haar vet gemengd. Dat leidde tot een dioxinecrisis. Bij Petrotec, dat een partij vrije vetzuren op de markt bracht die met dioxine vervuld bleek, lijkt ook iets te zijn misgegaan. De dioxine had misschien net zo goed in de glycerol terecht kunnen komen.

GLYCEROLKRINGLOOP

Wie houdt er nog zicht op de kwaliteit van de glycerol? De kans lijkt niet groot dat Europa zal toestaan dat op grote schaal glycerol uit de biodieselproductie door het varkensvoer gemengd zal worden, bij voorbeeld als vervanging van melasse. Andere nieuwe afzetgebieden worden niet zichtbaar.

Hier is het gat in de markt dat BioMCN in Delfzijl ontdekte. Voorheen produceerde dit bedrijf methanol uit aardgas, inmiddels is het overgaan op glycerol als grondstof. Glycerol uit de biodieselproductie, zodat de geproduceerde methanol van de weeromstuit bio-methanol heet.

Het proces is tamelijk eenvoudig. De glycerol wordt in dampvorm gebracht en daarna ‘thermisch gekraakt’ waarbij de stof wordt omgezet in synthesegas (‘syngas’) een mengsel van koolmonoxide (CO) en waterstof (H2). Met klassieke middelen wordt daaruit weer methanol bereid. BioMCN kan tamelijk zwaar vervuilde glycerol als grondstof opnemen, zegt marketing directeur Eelco Dekker.

Van belang is dat de vraag naar methanol wél heel groot is. Het is een grondstof die zeer breed wordt toegepast, onder meer in harsen en lijmen en voor de productie van formaldehyde. Ja, zelfs kan de methanol terug naar de biodieselfabriek om er nieuwe glycerol van te maken. Een cirkelgang waar een mens duizelig van wordt. Dekker weet niet helemaal zeker of het ervan komt, maar het zou wel het toppunt van duurzaamheid zijn.