'Als tweeling trek je altijd de aandacht'

Gonda van der Zwaag (1951) heeft een tweelingzusje. ‘Ik heet Gonda Carla, mijn tweelingzus heet Carla Gonda. Meer meisjesnamen hadden mijn ouders niet bedacht.’

‘Mijn moeder wist niet dat ze zwanger was van een tweeling. Ze werd wel erg dik, maar de mensen zeiden: ‘Dat wordt een flinke jongen’. Na veertig weken beviel ze thuis, en toen de baby eruit was zei de vroedvrouw: ‘Er komt er nog een’. Mijn moeder begon te huilen, ze dacht: hoe moet dat nou? Om haar te troosten zei de vroedvrouw toen dat zij wel een kindje mee zou nemen. Dat was niet nodig, maar mijn moeder was even gerustgesteld. Twee uur later werd ik geboren. Ik heet Gonda Carla, mijn tweelingzus heet Carla Gonda. Meer meisjesnamen hadden mijn ouders niet bedacht.

„Mijn ouders kwamen allebei uit een grote boerenfamilie in de omgeving van Heerenveen. Hun zussen waren vriendinnen, de families kenden elkaar. Mijn vader werd na de ambachtsschool houtzager bij Batavus, wat toen nog een schaatsfabriek was. Tijdens het werk zaagde hij per ongeluk een deel van zijn rechterhand af. Hij kwam in het ziekenhuis terecht, zijn vriendinnetje maakte het uit, en daar verscheen mijn moeder: een mooie, sensuele meid, zo van de boerderij. Later zei ze dat ze uit medelijden bij mijn vader bleef, maar er was meer tussen hen. Ze waren een harmonieus stel.

„De eerste jaren met drie kinderen waren enerverend voor mijn moeder. Even een boodschapje doen was al een enorme heisa. Ingrid moest altijd het goede voorbeeld geven en op ons letten, maar zij was ook nog maar klein. Zodra Carla en ik naar de kleuterschool konden, ging mijn moeder parttime in een modezaak werken. Daar lag haar hart: ze wist veel van kleding en ze was een goede naaister. Ik denk ook dat ze het dankzij die baan thuis beter volhield. Het was vooruitstrevend, zoals ze het deed. Als wij ’s middags uit school kwamen, stond er karnemelk en een stukje koek voor ons klaar en moesten we onszelf zien te vermaken. Om zes uur mochten w,e haar uit de winkel ophalen.

„Mijn vader was in zichzelf gekeerd, ingetogen. Hij rookte zware shag en was het liefst aan het werk. Achterin de tuin had hij een werkhok om te timmeren. Maar hij had ook een andere kant. In de weekends trad hij op als balleider: dan reed hij op de brommer naar een zaal in de omgeving en kondigde de dansen aan die het bandje ging spelen. Als tieners gingen wij soms mee, en dan was ik best trots. Op het podium was mijn vader niet bleu. Mensen boden hem de hele avond drankjes aan, en dan koos hij een sneeuwwitje, bier met 7-Up.

„Carla en ik hadden altijd precies hetzelfde aan. Op school zaten we in dezelfde klas, soms zelfs naast elkaar. Niemand kon ons uit elkaar houden, behalve mijn ouders en Ingrid. Er waren wel kleine verschillen: mijn gezicht is iets langer, en van ons tweeën was ik een beetje de jongen, de sterke. Ik was veel met mijn handen bezig.

„We waren een harmonieus gezin. We deden spelletjes en we kaartten met elkaar. ’s Zondags maakten we vaak een gezinsuitje. Het was geborgen, besloten. Ik gedijde daar goed in. Te goed misschien: ik kon absoluut niet alleen zijn. Als ik in mijn eentje een stukje over straat moest, had ik er al last van dat niemand naar me keek. Als tweeling trek je altijd de aandacht.

„Voor hun directe omgeving waren mijn ouders heel sociaal, maar hun wereldje was klein. Ze waren niet politiek betrokken en niet actief religieus. Ze konden niet over de grenzen van de familie en de buurt kijken. Hun voornaamste motto voor ons was dat we aan het werk moesten, geld verdienen. We moesten eerlijk zijn, bescheiden, geen hoge dunk van onszelf hebben. Hobby’s werden niet echt gestimuleerd. We begonnen wel eens met iets, muziekles of ballet, maar dan zei mijn moeder al na een paar keer: ‘Ach, blijf maar thuis’. Na de ulo wilde ik graag etaleur worden. Die opleiding was in Sneek – vrienden van school gingen daar al naar de kweekschool. ‘Kind, da’s toch niks voor jou’, zei mijn moeder, en wees me op een administratief baantje in de buurt.

„Ik heb als enige van ons drieën Friesland verlaten. Ik trouwde toen ik twintig was, verhuisde met mijn man naar Amsterdam en heb me ten slotte aangemeld bij de Rietveldacademie. Verder dan een cursus creatieve handvaardigheid was ik anders waarschijnlijk niet gekomen. Kunstenaar worden, dat leek altijd iets voor andere mensen.”

Haar atelier staat vol skeletten en preparaten van dode dieren. Vossen, zwijnen, een ree in een kistje. Zij vindt ze mooi, niet eng. Ze zingt met een hoge trilstem.

Heeft u ook een interessante familiefoto?Mail naar weekblad@nrc.nl