'Als ik iets niet ben, dan is het depressief'

De Universiteit Leiden geeft Peter van Straaten een eredoctoraat voor zijn talent de menselijke psyche in tekeningen te vangen.‘Ik wil nog niet dood. Gek hè.’

Staat hij daar in die winkel, in de Sarphatistraat in Amsterdam, waar ze gelegenheidskleding verhuren. Vraagt het meisje dat hem helpt: ‘Aan welke universiteit, meneer Van Straaten, krijgt u een eredoctoraat?’ Dus hij zegt: in Leiden. ‘Aha’, zegt ze. ‘Dan hebt u een zwart vest voor onder uw rokkostuum nodig.’ Potverdorie zeg, nooit geweten dat er zoveel verschil was. „De Universiteit van Amsterdam heeft een wit vest, de Vrije Universiteit weer zwart.”

Had u bijna een figuur geslagen?

Grijnst: „Ik heb meteen gevraagd hoe het zat met het strikje. Dat is voorgestrikt, zei ze. Goddank.”

Kleur?

Schrikt. „Ik geloof wit. Ja, ik denk dat het wit is.”

Op 8 februari, de dies natalis van de Universiteit Leiden, krijgt Peter van Straaten, 75 jaar, tekenaar, een eredoctoraat. Als je hem vraagt waarom, zegt hij: „Geen idee.” De universiteit maakt hem eredoctor om ‘de scherpzinnige wijze waarop hij mensen en maatschappelijke verschijnselen observeert’ en om zijn ‘kennis van de menselijke psyche’. Nee, hij wist van niks. Een paar weken geleden werd hij gepolst of hij een eredoctoraat zou aanvaarden mocht het hem worden aangeboden. Hij heeft nog wel gevraagd waarin hij dan eredoctor werd. Hij hoopte: in de psychologie. Maar, zeiden ze, het is nergens in. Je bent eredoctor en dat is het.

Hij is er bijzonder mee ingenomen. Eervol is het. Al heeft hij verder niks met Leiden. „Geen proefschrift schrijven en toch doctor worden.” Ideaal. Hij heeft niet gestudeerd, nee. Maar op het gymnasium deed hij het heel aardig, in tegenstelling tot zijn vier broers.

Het idee om te vragen of Peter van Straaten eredoctor kon worden, kwam van de Leidse hoogleraar psychologie Willem van der Does. Hij gebruikt de cartoons van Peter van Straaten al jaren om allerlei geestesziekten te illustreren. Hij schreef twee boeken, een over depressies (2005) en een over persoonlijkheidsstoornissen (2004). Hij beschrijft tien persoonlijkheden; narcistische, theatrale, vermijdende, dwangmatige. En Peter van Straaten vangt die opvallend vaak in één beeld met daaronder één kort zinnetje.

Hoe kende u Willem van der Does?

„Niet. Ik heb hem een paar dagen geleden voor het eerst ontmoet. Hij kwam hier op bezoek.”

Maar u wist wel dat uw tekeningen in zijn boeken staan?

„Ja, ja. Dat regelt mijn agent allemaal.”

En wist u welke tekeningen bij welke stoornis staan afgebeeld?

„Nee hoor. Willem van der Does heeft de cartoons gekozen. Ik heb die boeken net gekregen. Reuze interessant.”

En weet u nu welke persoonlijkheid u zelf hebt?

Grinnikt: „Allemaal. Ik ben ze allemaal.”

Kunt u ze daarom zo treffend tekenen?

Hij denkt na alsof de vraag hem nooit eerder is gesteld. Zegt na een poosje: „Zou kunnen.”

Dus u bent dwangmatig?

„Nee. Of ja toch. Als ik een kruiswoordpuzzel zie, moet ik hem maken. In de Pers, Trouw, Volkskrant, in het weekeinde NRC. Gek word ik er van.”

Vermijdend?

„Ja. Sudoku’s. Die mijd ik.”

Narcistisch?

„Nee hoor. Wel ijdel. Ik wil elke dag afgedrukt worden. Een dag geen tekening in de krant, is een dag niet geleefd.” Elke dag staat er een cartoon van hem in Het Parool (sinds 1958), en elke week in Vrij Nederland een politieke prent (sinds 1968). Voor een van die politieke tekeningen, over kindermisbruik in de Katholieke Kerk, heeft hij net de Inktspotprijs gewonnen. Voor de vierde keer.

Bent u ook depressief? Want volgens Willem van der Does kunt u dat ook heel knap ‘vercartoonen’.

„Nee. Absoluut niet. Als ik iets niet ben, dan is het depressief. Elke ochtend sta ik op en denk: ha, weer een dag.”

Een prater is hij niet. En al helemaal niet over hoe hij dat doet, de ‘menselijke psyche’ in een tekening vangen. Alsof hij ‘het’, door erover te praten, verliest. Wat hij wel vertelt: hij tekent altijd alles uit zijn hoofd en nooit ná. De woorden en situaties schieten hem te binnen, ongetwijfeld omdat hij ergens een flard van een gesprek heeft opgevangen, op straat of in de tram. Maar hij hoeft voor inspiratie niet, zoals Simon Carmiggelt of Martin Bril, de deur uit. Hij gaat zitten en het komt. Als hij zin heeft. Op een goeie dag kan hij voor een week voorraad tekenen.

U heeft er altijd van kunnen leven, van uw tekeningen?

„Ik kwam van school en zei tegen mijn vader dat ik niet met vakantie ging, maar direct werk wilde zoeken. Dat vond hij zo geweldig dat hij een rekening voor me opende en er 1.500 gulden op zette. Een ongelooflijk bedrag. Het was in drie maanden op.” Opgedronken.

Is het bescheidenheid, verlegenheid, of heeft hij gewoon geen zin om te praten? Rijk de Gooyer, de acteur en vriend van Peter van Straaten, noemde hem: ‘de quasibescheiden tekenaar’. Peter van Straaten vertelt het glunderend. „Hij is een groot psycholoog.”

Want wat hij zegt klopt?

„Quasibescheiden is een superieure vorm van ijdelheid. Ik ben wel ijdel, alleen merk je het niet zo. Ik doe heel bescheiden, maar ik weet intussen precies wat ik waard ben. Dat had ik vroeger al. Op mijn vijftiende zei ik tegen mijn moeder: ‘ik wil verder met tekenen.’ Ze nam een mapje met tekeningen van me mee om ze te laten zien aan de leraar kunstoefening op de school van mijn broer. Ze kwam terug en zei: ‘nou, jij hebt ook talent.’ Ja, dat had ik haar zo wel kunnen vertellen.”

Peter van Straaten heeft vier oudere broers: Herman, Gerard, Rob en Jan. Zijn vader was architect, net als Jan. Gerard, hij is nu 87, was een bekend illustrator van kinderboeken. „Ik wilde ook illustreren.” Pas op de Kunstnijverheidsschool in Amsterdam ontdekte hij dat hij dát talent niet had. „Als dingen moeten lijken – auto’s, vliegtuigen, gezichten – dan kan ik het niet. Daar ben ik niet technisch genoeg voor.”

Om lekker te kunnen babbelen, zegt hij, heeft hij een paar drankjes nodig. Van drank wordt hij een ander mens. Maar dat andere mens wil nóg een glaasje. En nog één. Dat zei Simon Carmiggelt altijd. Drinken doet hij tegenwoordig een stuk minder. En van het roken probeert hij ook af te komen, nu met professionele hulp. Roken is een verschrikkelijke verslaving, zegt hij, erger dan alle andere. In huis liggen de bewijzen van eerdere stoppogingen. Een supersmoker (een elektrische nepsigaret) op het hoekje van een kast, her en der nicotinetabletjes. Medicijnen heeft hij al geprobeerd. Ook die waarbij je moest blijven roken. „Ik ging er verschrikkelijk van hoesten.” Nu belt hij elke dag met de verslavingsarts. Hij moet nog zien of het helpt. Vooralsnog klinkt ze hem veel te opgewekt. En nu we het er toch over hebben. „Geen bezwaar als ik er een opsteek?”

Moet u dat straks aan de telefoon opbiechten?

„Als het moet, lieg ik het behang van de muur.”

Dan stopt u toch niet.

„Ik wil nog niet dood. Gek hè. Vroeger dacht ik ook: dan leef ik maar een paar jaar korter. Maar nu het einde dichterbij komt, klamp je je toch vast. Ik heb al een paar operaties gehad.” De eerste hartoperatie was in 1994. In 2000 kreeg hij een aneurisma, een verwijde slagader. Enorme operatie. De tweede hartoperatie was op zijn zeventigste. De laatste ingreep was dit jaar, hij had hartritmestoornissen. „Kwam waarschijnlijk door al het littekenweefsel. Mijn hart ging veel te snel. 112 gebeld. Ziekenhuis. Hup twee strijkijzers op je borst.” En nu heeft hij dus een pacemaker. „Operatie van niks.” Hij had er nog wel naweeën van. „Die draadjes van de pacemaker zaten ergens tegen mijn zenuw aan. Ik kreeg een soort inwendige hik.” Hij weer naar de dokter. „Het was geen werk voor de chirurg. Iemand van de technische dienst heeft het nu goed afgesteld.” Wat hij zo wonderlijk vindt: na die eerste operatie, hij was 59, is hij een volle maand depressief geweest.

Ha, dus toch?

„Nou, ja. Ik was niet echt somber, het was een wanhopig soort onverschilligheid. Nergens zin in. Al mijn werk vond ik waardeloos. Alles moest over, vond ik. Maar dat kon niet, want daar was ik te oud voor. Verschrikkelijk. Els zei dat het misschien was omdat ik niet geopereerd had willen worden, dat ik gewoon dood had willen gaan.” Hij was twee jaar ervoor gescheiden van zijn eerste vrouw Marijke, met wie hij 28 jaar getrouwd was en één dochter heeft. Nu is hij al 18 jaar met Els Timmerman, kunstenares.

En daarna heeft u dat nooit meer gehad?

„Ik heb wel wanen gehad. Dat komt, ik kan niet tegen narcose. Lag ik op de intensive care, dacht ik dat ik door criminelen vastgehouden werd. Ik hield steeds een papiertje omhoog met het telefoonnummer van Els erop. ‘Die is net geweest’, zei de zuster dan. Ik geloofde haar niet. Ik klom uit bed, trok alle slangen eruit, de beademing uit mijn mond. Het duurt gelukkig maar anderhalve dag. Tegenwoordig krijg ik haldol als ze me verdoven. Dan heb ik nergens last van.”

En hoe bent u uit die depressie gekomen?

„Els heeft mijn leven gered. Zij stond op een dag naast mijn bed met inkt, papier en een pen en zei: je moest maar weer eens aan het werk. Ik geloof heilig in de heilzame werking van werken. Het ging over en ik heb het nooit meer gehad.”

Zo had u zich nooit eerder gevoeld?

„Nee. Of ja, toen ik veertig werd. Verschrikkelijke leeftijd voor mannen. Mijn leven voelde afgelopen, vastgelopen. Ik dronk in die tijd nogal veel, hielp ook niet echt. Maar het cliché is waar: daarna begon het leven pas echt: mijn beste werk stamt van na mijn veertigste.”

En ging u daarom ook scheiden?

„Dat was zeker dertien jaar later. Dat had er niets mee te maken.”

Waar kende u Marijke van?

„Van de Kring. Ze was de dochter van een cellist. Ze wou zelf ook iets artistiek doen.”

Maar ...

„Maar ze leerde mij kennen en raakte zwanger.”

Waar kende u Els van?

„Els was de vriendin van Ischa Meijer. Hij had mij geïnterviewd, ik ging het stuk bij ’m thuis lezen. Daar ontmoette ik haar. Ze is vier jaar met hem geweest, hij had niet zoveel zitvlees met vrouwen.”

U wel.

„Ja, ik wel.”

Is 75 zijn niet veel erger dan 40? Of heeft u net als Harry Mulisch een gevoelsleeftijd van 17?

„Zo oud? Nee, eerder 13. Dat komt omdat ik de jongste ben. Alles werd voor mij gedaan. Iedereen zei: ‘Laat maar, dat doe ik wel.’ Nu doet Els dat.”

Toen hij vijftig werd, heeft hij besloten een meneer te worden. „Sindsdien draag ik een pak en een das. Een das geeft houvast. Aan je nek, aan je kin.” Jasjes laat hij maken bij Westend Tailors, tegenover De Nederlandsche Bank. Moet van Els. Hij heeft smalle schouders, met knobbels.

In de zitkamer speelgoed, een speen, kindertekeningen. Peter van Straaten heeft twee kleinkinderen, van zijn dochter Mascha, nu 48. „We zien elkaar niet heel vaak. Ze woont in Driebergen.” En Els heeft twee kleinkinderen, van twee en vijf, van haar dochter. „Leuk hoor, kleinkinderen. De weerslag ervan zie je ook wel in de cartoons. Wel vermoeiend. Vooral voor Els.”

Els is degene die zijn website beheert, zijn mails beantwoordt, zijn afspraken onthoudt. En zij kan zeggen dat het handje in die tekening echt niet klopt, of dat die schoen over moet.

Kunt u goed tegen kritiek?

„Heel slecht. Alleen van Els kan ik het hebben.” Vijf jaar schreef hij een column in de zaterdagbijlage van Het Parool. Tot de chef vroeg wat hij er nou zelf van vond, van die stukjes. „Hij vond ze somber. Sindsdien heb ik een writer’s block. Dat was in 1987. Toen ben ik de dagelijkse cartoon gaan maken.” De afspraak was dat die cartoon over het alledaagse leven zou gaan en los zou staan van de actualiteit. „Ik had geen trek in die druk van het nieuws.” En dat werden de miniatuuranalyses van het menselijk gedrag, die hem nu zijn eredoctoraat bezorgen.

Binnenkort gaat hij weer schrijven, korte stukjes op de Achterpagina van NRC Handelsblad. Gewoon over wat hij meemaakt. Niet een column waarin hij zijn dekselse mening geeft, al schemert die er wel doorheen natuurlijk. Een beetje Carmiggelt-achtig misschien. Eigenlijk had hij mee moeten doen aan de Kronkelwedstrijd, wie het best de stijl van Carmiggelt kan nabootsen. „Ik ken elke zinswending. Ik had waarschijnlijk de eerste prijs gewonnen.”

Voorlopig denkt hij niet aan stoppen met werken. „Mijn broer Gerard is op z’n vijfenzestigste gestopt. Hij ging boten en portretten schilderen. Ik moet er niet aan denken. Ik heb net tegen Het Parool gezegd dat ik vanaf 1 april 2012 niet meer elke dag een strip maak. Ik zie er nu al tegenop.”