'We willen evolutie gelijk stellen aan vooruitgang'

Meeslepend vertelt de Britse politiek filosoof John Gray in zijn nieuwe boek over de onverbeterlijke neiging van de mens om aan zijn eigen natuur te willen ontsnappen. Het vormt een belangrijk thema in zijn oeuvre, maar deze keer heeft hij wat hij te zeggen heeft in een andere vorm gegoten. „Een rode draad in mijn werk is de notie dat allerlei religieuze en ideologische wereldbeelden die door doorsnee intelligente, vooruitstrevende mensen verworpen worden, zich ongemerkt nog wel degelijk laten gelden in hun gedrag en opvattingen. Ik besef dat het zinloos is om mensen daarvan te willen overtuigen met rationele argumenten”. Aldus Gray in een gesprek met Bas Heijne.

Nederland, Den Haag, 14-02-2008 John Gray - Britse politiek filosoof FOTO: Arenda Oomen/hh Oomen/Hollandse Hoogte

John Gray (1948) kijkt tevreden, als ik hem ontmoet in Londen. In zijn nieuwe boek, The Immortalization Commission, heeft de bekende Britse politiek filosoof eens iets heel anders geprobeerd: een verhaal vertellen. „Voor het eerst probeer ik wat ik te zeggen heb door middel van persoonlijke geschiedenissen duidelijk te maken. Een rode draad in mijn werk is de notie dat allerlei religieuze en ideologische wereldbeelden die door doorsnee intelligente, vooruitstrevende mensen verworpen worden, zich ongemerkt nog wel degelijk laten gelden in hun gedrag en opvattingen. Ik besef dat het zinloos is om mensen daarvan te willen overtuigen met rationele argumenten. Een echte realist heeft niet de illusie dat mensen realistisch zijn. Ik wil laten zien dat men de wetenschap gebruikt om te ontsnappen aan wat door de wetenschap is aangetoond: de mens is een sterfelijk dier.”

In The Immortalization Commission vertelt Gray twee vroeg-20ste-eeuwse episodes. Allereerst de obsessie van de Edwardiaanse gegoede klasse met rationeel onderzoek naar een leven na de dood. Het tweede deel van zijn boek gaat over de obsessie van Sovjet-intellectuelen met de wetenschappelijke maakbaarheid van de mens, die door mensenhanden gevormd is en die ook na zijn dood weer tot leven gewekt zou kunnen worden. Die verhalen zijn fascinerend en verbazingwekkend, en tegelijk sluiten ze naadloos aan bij het grote thema van Gray’s latere werk: de onverbeterlijke neiging van de mens om aan zijn eigen natuur te willen ontsnappen.

Waarom juist deze verhalen?

„Allereerst omdat ze intens menselijk zijn in hun verlangens en obsessies. Maar ook omdat ze raken aan de grote projecten en bewegingen van de 20ste eeuw. De mensen die zo hartstochtelijk contact met hun doden zochten, deden dat vaak uit heel persoonlijke motieven. Tegelijkertijd is het feit dat zo veel mensen uit de hogere klassen zo naarstig op zoek waren naar bewijs voor een leven na de dood veelzeggend. Voor hen en later ook voor een man als H.G. Wells was Darwin een centrale figuur. Darwins theorie was niet in de eerste plaats een verlies van geloof, zoals vaak verondersteld wordt. Veel van die mensen hadden hun geloof al opgegeven. Waar ze mee worstelden, was: als Darwin gelijk heeft, dan sterven mensen als dieren. Dat was heel moeilijk om te accepteren en riep allerlei ethische vragen op. Mijn stelling is dat men de implicaties van Darwins theorie van natuurlijke selectie nooit volledig heeft kunnen aanvaarden. Er bestaat een diepgewortelde neiging om evolutie gelijk te stellen aan vooruitgang.”

De hoofdstukken over Britse denkers en politici als de minister-president Balfour die zich serieus bezig houden met mediums en spiritisme zijn vooral aandoenlijk; de ‘verlichte’ pogingen van de Sovjets om een nieuwe mens te boetseren daarentegen zijn gruwelijk in hun nietsontziendheid.

„Het heeft, denk ik, met verschil in omstandigheden te maken. Engeland aan het begin van de 20ste eeuw was één groot spookhuis, waar de oude zekerheden waren verdwenen. Men zocht zijn toevlucht tot het geloof dat er achter die zichtbare wereld nog een andere schuil ging, zodat het ongeluk in dit leven nooit definitief zou zijn. ‘Elders’ ging het leven immers gewoon door. In het Rusland onder de bolsjewieken leefden mensen te midden van lukrake slachtpartijen. In zulke bloedige omstandigheden ben je niet geneigd om in een leven na de dood te geloven. Men aanvaardde dat mensen stierven, maar ging geloven dat de wetenschap in staat moest zijn hen weer tot leven te wekken.”

U windt er geen doekjes om: die historische verhalen vertellen ons iets over onszelf.

„Als je mensen tegenwoordig vraagt of ze geloven dat de wetenschap in staat zal zijn om ons voorgoed aan de dood te laten ontsnappen, dan zal het antwoord nee zijn. Maar vraag je ze of we met behulp van de wetenschap in staat zullen zijn armoede en dictaturen de wereld uit te krijgen, of dat we door technologie in staat zullen zijn veel langer en gezonder te leven, dan zal het antwoord bevestigend zijn. Terwijl het volgens mij om een illusie gaat. Iemand als de bioloog Richard Dawkins zegt: zeker, we zijn het resultaat van toevallige processen, het universum is amoreel, maar nu we eenmaal hier zijn, kunnen we de wereld naar onze hand zetten. De wereld kende geen orde, maar die gaan wij nu aanbrengen. Dat is hetzelfde als beweren dat de tijger orde gaat aanbrengen. De mens? Waar komt dat geloof vandaan dat de mens zichzelf kan overstijgen? Als je gelooft in de evolutieleer en ervan overtuigd bent dat mensen dieren zijn, wat geeft mensen dan hun zogenaamde vrije wil? Zulke argumenten zijn van de religie afkomstig, niet van de wetenschap. Dat zie je steeds opnieuw gebeuren, men aanvaardt de consequenties van Darwin niet. Men ontwerpt andere evolutionaire theorieën waarbij het idee dat mens en wereld een gegeven betekenis hebben behouden blijft. Men maakt er een vooruitgangsgeloof van.

„Waar mensen ook moeite mee zullen hebben, is mijn bewering dat wat de serieuze onderzoekers van het paranormale in Engeland en de bolsjewieken gemeen hebben, is dat ze hun heil zochten bij de wetenschap om te ontsnappen wat de wetenschap hen onthuld had. Ze vielen niet terug op godsdienst, dat was een gepasseerd station. Het was de wetenschap die een uitweg moest bieden aan een wereld zonder zin. Ik beschouw Freud als de grootste 20ste-eeuwse verlichtingsdenker – en hij is niet toevallig de minst populaire. Hij geloofde niet in een wereld met immanente orde. Zijn antwoord is min of meer het mijne: we hebben iets nodig dat je ruwweg beschaving kunt noemen. Daarmee bedoel ik gebruiken, regels, tradities en instituties die het menselijke dier in staat stellen het bestaan zo goed en kwaad als het kan het hoofd te bieden.”

Maar ook Freud wilde zijn theorieën als wetenschap zien, die de mensheid vooruit zou helpen.

„In zijn vroege werk gelooft hij nog dat wetenschap in het menselijk bewustzijn kan neerdalen en het voorgoed zal veranderen. Later dringt het tot hem door dat de wetenschap geen troost kan bieden. Religie ziet hij namelijk als troost, iets wat mensen in staat stelt te leven met ongeluk en verlies. Ergens schrijft hij dat hij iemand van zijn hysterische neurose bevrijdt om hem in staat te stellen te kunnen leven met het ‘gewone lijden van alledag’. H.G. Wells, die bijna geniale trekken had, bleef tot vlak voor zijn dood gespleten. Hij koesterde grandioze, utopische gedachten voor de mensheid, terwijl hij in zijn sciencefictionboeken daar dodelijk commentaar op leverde.’’

U schetst Wells als een man die de waarheid alleen door middel van zijn verbeelding als romanschrijver onder ogen kon zien, terwijl hij als denker bezig was de mens geheel opnieuw uit te vinden.

„Wat hij deed, is wat veel mensen doen: wetenschap met magie vermengen. Ik denk dat er tegen de menselijke neiging om wetenschap en magie door elkaar te halen, geen remedie is. Het zit in het moderne leven ingebakken. De magiër wil de wetten van de natuur ontdekken om ze te kunnen ontlopen of overstijgen. Wanneer de wetenschapper wetten in de natuur ontdekt, dan zal hij zich daarnaar moeten voegen, omdat het nu eenmaal wetten zijn.”

Die notie vormt de kern van uw werk. In de jaren negentig waarschuwde u in ‘False Dawn’ tegen het geloof in de vrije markt en het idee dat het neoliberalisme als vanzelf een nieuwe, stabiele, democratische wereldorde zou bewerkstelligen.

„Toen ik dat boek schreef, kende de overmoed geen grenzen. Ik werd alom gehoond. Wanneer je toen zei dat de geschiedenis ten einde was, vond dat men van realisme getuigen. Wanneer je zei dat de geschiedenis gewoon door zou gaan, vond men dat je apocalyptisch bezig was. Ik herinner me dat eind jaren tachtig, na het verschijnen van het boek van Fukuyama waarin hij het eind van de geschiedenis afkondigde, veel Amerikaanse fondsen hun beurzen voor de studie van internationale betrekkingen afschaften. Foreign policy werd domweg niet langer nodig gevonden! Het is dus zeker niet waar dat ideeën geen gevolgen hebben. Hier ging het domweg om een fantasie. Kort na het verschijnen van mijn boek konden de Russen hun buitenlandse schulden niet aflossen, wat iedereen voor onmogelijk had gehouden. Doordat men in de ban was van een idee werden zeer realistische voorspellingen zoals de ineenstorting van de Sovjet-Unie of de dislocatie van het finance capitalism als irreëel terzijde geschoven.

„Maar wat voor de geschiedenis in het algemeen geldt, geldt voor die van de 20ste eeuw in het bijzonder, namelijk dat het geen geschiedenis was van langzame veranderingen en aanpassingen, maar van vaak brute verstoringen. Wat ik nu zeg zal opnieuw tegenspraak uitlokken: we staan nog maar aan het begin van een veel grotere verstoring, die het gevolg is van de financiële crisis van 2008. Als je een revolutie beschouwt als een radicale verandering in machtstructuren in de wereld, en verschuivingen in politieke confederaties, dan staat ons er wel degelijk een te wachten. De contouren tekenen zich al af: het was noodzakelijk de banken te redden, anders was de economische maar ook de politieke schade niet te overzien geweest. Maar nu ligt het financiële risico bij de overheid en krijg je insolvabele staten. Om die staten weer op de rails te krijgen, moet je matiging op grote schaal betrachten. Amerika heeft twintig jaar lang op te grote voet geleefd, en welke regering of president ze daar ook hebben, men zal vijftien tot twintig procent onder het huidige welvaartsniveau moeten gaan leven. Hier in Europa zullen mensen het idee van een lange periode van stagnerende welvaart moeten accepteren, met kortingen in pensioenen en uitkeringen, met alleen de belofte van een volkomen hypothetische stabiele economie ergens in de toekomst. Wat je zult zien, is dat politici zullen weglopen. Alle politici van deze generatie zijn opgegroeid met een geloof in het neoliberale vrije-marktdenken. Wat gebeurt er wanneer bij hen het kwartje valt en ze beseffen dat dat geloof niet langer houdbaar is?”

Toch overheerst het gevoel dat politieke wil genoeg is om de crisis het hoofd te bieden.

„Onderschat de politieke wil niet om het Europese project overeind te houden, hoor ik veel. Maar wanneer de kiezers afhaken, zullen de politici het af laten weten. Alle moderne staten legitimeren zichzelf met welvaartsgroei, ook een land als China, dat bepaald geen democratie is. Niemand weet precies hoe men daar denkt, maar zeker is dat men zich legitimeert met economische groei. Men zal niets doen om een sterk toenemende werkloosheid te riskeren. Amerika wil dat ze hun munt opwaarderen, maar dat zal de export doen afnemen. Ze zullen dat dus niet doen.”

Uw critici verwijten u een inktzwart pessimisme. Ook zou u de verdiensten van de Verlichting in een kwaad daglicht stellen door het communisme en zelfs het fascisme als producten van verlichtingsdenken te beschouwen.

„Als er iets vreemds aan de mens is, dan is het wel zijn onvermogen zich met zijn eigen natuur te verzoenen. Mensen zijn van nature uitgerust met tegenstrijdige behoeften en om daarmee te kunnen leven lijkt enige vorm van mythologie noodzakelijk. Dat geldt voor iedere menselijk cultuur. Pogingen om af te rekenen met die mythes brengen weer nieuwe mythen voort. De oorspronkelijke mythes, die de mens lang met zich heeft meegedragen, zijn waarachtig in de manier waarop ze vorm geven aan de onmogelijke verlangens van de mens.”

John Gray: The Immortalization Commission. Science and the Strange Quest to Cheat Death. Allen Lane, 273 blz. € 26,50. Een Nederlandse vertaling verschijnt in maart bij Ambo.