Wankelen tussen roes en ondergang

Maurice Seleky: Ego Faber. Anthos, 216 blz. 17,95

Maurice Seleky, achtentwintig jaar en communicatieadviseur bij een pr-bureau, miste een portret van zijn generatie in de Nederlandse literatuur. Hij besloot er zelf één te maken, een ‘Titaantjes van de generatie Y’. De ongegeneerde hoogdravendheid spat geregeld van de bladzijden af in Ego Faber. Al aan het begin begint de naamloze ik-persoon zijn verhaal op hemelbestormende toon door zijn vertrek uit het ouderlijk huis naar Amsterdam te vergelijken met de dag van de maanlanding, de dag dat de Muur viel, ‘de dag van Adam, van Eva, de oerknal’.

In werkelijkheid is het 11 september 2001 en in de trein naar Amsterdam ontmoet de jonge hoofdpersoon de charismatische, strak in het zwart geklede Ego Faber, die hem vertelt van de aanslag die net heeft plaatsgehad. Dat is het begin van de vriendschap tussen de weifelachtige ik-persoon en de wereldwijze, schijnbaar onaantastbare Ego Faber, tot onafscheidelijk trio aangevuld door het onbekommerde feestbeest Rein. De jongens storten zich in het Amsterdamse nachtleven. De hipste clubs, de mooiste vrouwen, de beste drugs: alles lijkt om hen te draaien.

Het is jongensromantiek die in de buurt van het pathetische komt: ‘Er is geen na ons. Er is slechts de zondvloed.’ Toch komt Seleky ermee weg. Achter alle grootspraak schuilt in Ego Faber een tragisch verhaal, een ‘getuigschrift van een obsessie’, in de woorden van de ik-persoon.

Deze antiheld levert zich volledig over aan zijn nieuwe vrienden en moet bovendien aanzien dat het meisje op wie hij verliefd is door Ego Faber wordt ingepalmd. De hele euforische glans van zijn nieuwe leven in Amsterdam heeft hij aan zijn inspirerende vriend en voorganger te danken, maar als de jaren verstrijken begint die langzaam zijn hedonistische levenslust te verliezen. Ego Faber blijkt meer van anderen te kunnen houden dan van zichzelf, een psychologisch motief dat Seleky sterk weet over te brengen. Het brengt Ego tot een onverwachte beslissing: hij meldt zich aan bij de landmacht, voor de missie in Afghanistan. Al die jaren dat zij uitbundig van hun vrijheid hebben genoten was er feitelijk een oorlog aan de gang, beseft Ego.

De spanning tussen het onbezorgde feestleven in de grote stad en de grimmige werkelijkheid daarbuiten is het werkelijke thema van Seleky’s debuut. Het zijn twee realiteiten die elkaar meestal goed verdragen, dat is inderdaad typerend voor de ‘generatie Y’, de twintigers van de 21ste eeuw: hedonisme sluit engagement niet uit – alles op z’n tijd.

Maar met Ego Faber stuurt Seleky zelfs op een somberder scenario aan: onherroepelijk zal er een moment aanbreken dat de bubbel barst, zo lijkt de boodschap, al was het maar omdat de onbezorgde levenslust zijn voedingsbodem verliest. Deze thematische spanning tussen roes en ondergang is knap vertaald in de personages en de plot van de roman, waardoor je bereid bent de stilistische miskleunen over het hoofd te zien. Een portret van zijn generatie heeft Maurice Seleky er niet mee gemaakt, wel een meeslepende versie van een verhaal dat zo oud is als de wereld.