Van 'aanleiding' tot 'ziel'

Willem Jan Otten / Kees Verheul / Clay Hunt: Niets heb ik van mijzelf. Een hommage aan het lezen. G.A. van Oorschot, 208 blz. € 17,50

Heeft u wel eens van Clay Hunt gehoord? Ik bedoel niet de app uit de appstore waarmee u virtueel op kleiduiven kunt schieten. Ik bedoel de literatuurprofessor, die in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw lesgaf aan het Williams College in het Amerikaanse universiteitsstadje Williamstown. Niemand kent hem. Hij schreef twee academische studies over de poëzie van Donne en Milton. Die kent ook niemand. Hij is de hoofdpersoon in het lange essay ‘Poetic Passion’ van Kees Verheul – dat ook niemand kent. Het stond al eens in het tijdschrift Tirade, in 1987. En later, in 1994, in de essaybundel Het mooiste van alle dingen. Nu verschijnt het opnieuw, in de essay-estafettebundel Niets heb ik van mijzelf. Ik heb het voor de derde keer gelezen, een essay van 80 bladzijden, en het is nog steeds spannend van begin tot eind. Het is meer dan een essay: een novelle over vriendschap, een portret van een wetenschapper, een liefdevol in memoriam, een onderzoek naar het nut van literatuur en leven, een mini-essay over moderne poëzie, een scherp zelfportret, eerlijk en nietsontziend.

Clay Hunt was hoogleraar Engelse letterkunde toen Kees Verheul zich in 1957, 17 jaar oud, vers van het gymnasium in Hengelo, meldde in Williamstown, om daar negen maanden te gaan studeren. Hunt was een bevlogen docent, een levendige spreker en een aantrekkelijke vrijgezel over wie niet veel bekend was. ‘Een nieuw land, een nieuwe taal, een nieuwe man tegen wie ik opzag en die mijn denken, lezen, schrijven en fantaseren over mijn toekomst begon te beheersen.’ Dat is het begin. Maar in het essay is ook al meteen het einde aanwezig. Twintig jaar later zoekt Verheul zijn leermeester nog een keer op. Hunt is ernstig ziek en heeft niet lang meer te leven. Verheul is geen jonge nieuwsgierige student meer, maar een oudere vriend die schrijver is geworden, een vaste relatie heeft en veel van het leven heeft geleerd.

Wie is de ware Hunt? En wie is de ware Verheul? En wat hebben ze eigenlijk aan elkaar en aan al die literatuur gehad? Verheul brengt het allemaal akelig precies in kaart. Het is duidelijk dat de leerling Verheul het moeilijk heeft gevonden om afscheid te nemen van de meester. Een ander trilpunt is de seks. Verheul weet in 1957 dat hij op jongens valt, maar kan er nog niet goed over praten. Hoe zit dat met vrijgezel Hunt, die zo graag grove woorden in de mond neemt (‘My name is Hunt, rhymes with cunt’)? Er zijn aanwijzingen voor een mogelijke homoseksuele belangstelling, maar zeker is Verheul er niet van.

En dan is er het al even gevoelige punt van het geloof, dat nauwer samenhangt met de erotiek dan Hunt zelf besefte. Donne wist dat wel – en dus probeert Verheul via de studies van Hunt over Donne te achterhalen wat er in hem omging. Het klinkt duizelingwekkend en spectaculair, maar Verheul weet wat hij doet, is heel voorzichtig in zijn speculaties, en neemt overal de tijd voor. Niemand kan zo breed schrijven als hij.

‘Poetic Passion’ is een van de beste essays van een van de beste essayisten van dit moment. Dat vindt ook Willem Jan Otten, ook een van de beste essayisten van dit moment. Zoals Verheul Hunt als een leermeester ziet, zo wil Otten Verheul ook wel als een leermeester zien, ‘maar ik denk dat gids de lading beter dekt. Hij heeft mij met zijn werk aangezet tot het lezen van een aantal „belangrijkste schrijvers van mijn leven”.’

Verheul is de meester van het grote geduld, Otten van de korte flits. Zijn leermeesteressay heeft hij daarom gegoten in de vorm van een woordenboek met korte lemma’s, een ‘abecedarium op het werk van Kees Verheul’: zeventig pagina’s, van ‘aanleiding’ tot en met ‘ziel’. Onderweg komen onderwerpen als ‘depressie’, ‘echtheid’, ‘flard’, ‘gebed’, ‘homoseksueel’, ‘onzekerheid’ en ‘schatplicht’ voorbij, en ook heel wat gedeelde lievelingsschrijvers – en ook hier staat, net als bij Verheul, steeds iets op het spel. In elk lemma zit wel een ingang tot het werk van Verheul. De beste lijkt mij ‘ambiguïteit’, waarin Otten Verheuls blik op de mens omschrijft: mensen zijn ‘niet samenhangend’, maar ‘dubbele wezens’.

Otten over Verheul, Verheul over Hunt – om er een heuse triptiek van te maken staat er in dit boek ook nog een stuk van Hunt over Donne, vertaald uit het Engels. Ik was er benieuwd naar, maar zag al na een paar regels dat het niks met de Verheulse of Ottensiaanse opvatting van essayistiek te maken had. Het is een langdradig academisch stuk vol structuralistisch geredeneer. Als de naam van Clay Hunt moet blijven voortbestaan, dan toch maar liever als de levenslustige leermeester uit het verhaal van Verheul, als ‘een reus met een merkwaardige voorkeur voor het kleine’ – in zijn Fiat 600 gevouwen, met ‘zijn kruin tegen het dak.’